maandag 22 september 2014

Kritische meditatie (2)

Mijn oefening en worsteling met meditatie en onderscheidingsvermogen in het vorige stukje zet ik voort met een tekst uit een ander boek.

In ‘Katie ’s Tao’ staat op blz. 37 een overdenking van Byron Katie n.a.v. een regel uit de Tao Te Ching. Ik heb zelf sporadisch wat leestekens toegevoegd, kopjes gemaakt en alinea’s ingedeeld. Om er op terug te kunnen komen en er naar te kunnen verwijzen geef ik hier haar gehele overdenking naar aanleiding van die regel. Mijn plan is om eerdaags een ‘close reading’ met deze tekst te ondernemen.

“We werken met wat is, maar wat niet is gebruiken we”.

(Tao Teh Ching).

Als het denken inzicht krijgt in zichzelf, identificeert het zich niet meer met zijn eigen gedachten. Dan ontstaat er een grote open ruimte. Een volgroeid denken kan alle ideeën koesteren; het voelt zich nooit bedreigd door verzet of conflicten, omdat het weet dat het niet belemmerd kan worden. Als het geen standpunt heeft dat verdedigt moet worden of een identiteit die beschermd moet worden, kan het gaan waar het wil. Het heeft nooit iets te verliezen, omdat er niets bestaat. Het lacht van plezier en vergiet tranen van dankbaarheid omdat het zijn eigen natuur ervaart.

Alles lijkt bij mij bonnen te komen. Ik kijk en zie wat er uit me komt. Ik ben het middelpunt van alles. Ik hoor meningen en concepten en omdat er geen ik is waarmee ik me kan identificeren neem ik alles in me op als een ‘zijn’, en alles wat uit de ervaring voortkomt is ondergedompeld in het niet-zijn, uitgewist en weer naar buiten gedreven. Het komt naar binnen, het voegt zich tot één geheel, het wordt uitgewist en wat naar binnen stroomt is het niet-zijn dat er uitziet als het zijn. Als je inziet dat je niemand bent voel je je bij iedereen o je gemak, hoe wanhopig of verdorven ze ook mogen lijken. Er is geen lijden waar ik niet binnen kan gaan, wetend dat het al is opgelost, wetend dat wat ik ontmoet altijd mezelf is.

Als we onze overtuigingen onderzoeken gaan we inzien dat we niet zijn wie we dachten. De transformatie komt voort uit de oneindige tegenpool van het denken, die we zelden hebben ervaren, omdat ‘het denken dat denkt te weten’ de touwtjes zo strak in handen heeft gehouden. En als we onderzoek doen verandert onze wereld, omdat we met de projector –het denken- werken en niet met het beeld dat geprojecteerd wordt. We raken onze hele wereld kwijt, de wereld zoals wij die begrepen. En iedere keer dat we onderzoek doen wordt de realiteit vriendelijker.

Als je je hart wilt openstellen, onderzoek dan je denken.

Het deel dat het onderzoek doet is het neutrale deel van het denken, het middelpunt dat de ene tegenpool van het denken nader tot de andere kan brengen. Dit neutrale deel biedt de verwarde, vastgeroeste, ik-weet-tegenpool de mogelijkheid zich open te stellen voor de tegenpool van het denken dat de gezonde, heldere, liefdevolle antwoorden bevat die 'het denken dat denkt te weten' begrijpt. Het neutrale deel heeft geen motief of verlangen, geen ‘moeten’ of ‘niet-moeten’; het is een brug die deze tegenpool moet oversteken. En als het ‘ik weet het denken’ wordt opgevoed, lost het op in de tegenpool van wijsheid. Wat overblijft is volkomen gezond, onverdeeld en vrij. Natuurlijk is dit alles slechts een metafoor, want er is maar één denken. Waar het op neerkomt is dit: als het denken gesloten is, is het hart gesloten; als het denken open is, is het hart open. Dus als je je hart wilt openstellen, onderzoek dan je denken.

Na het onderzoek houd je altijd minder over van je verhaal. Wie zou je zijn zonder je verhaal? Dat zul je nooit weten tot je onderzoek doet. Er is geen verhaal dat jij bent of dat naar jou leidt. Elk verhaal gaat bij jou vandaan. Jij bent wat bestaat vóór alle verhalen. Jij bent wat overblijft als het verhaal wordt begrepen.

Het leven aan de andere kant van het onderzoek is onvoorstelbaar eenvoudig en vanzelfsprekend. Alles wat je ziet is volmaakt, gewoon zoals het is. Hoop en vertrouwen heb je hier niet nodig. De aarde bleek de hemel te zijn waarnaar ik verlangde. Er is zoveel overvloed, hier, nu, altijd. Er is een tafel. Er is een vloer. Er is een kleed op de vloer. Er is een raam. Er is een hemel. Een hemel! Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met het eren van de wereld waarin ik leef. Er is een mensenleven voor nodig om dit moment te beschrijven, dit hier en nu dat niet eens bestaat, behalve als mijn verhaal. En is het niet mooi? Het mooie van weten wie je bent is dat je altijd in een staat van genade verkeert, een staat van denkbaarheid voor de overvloed van de schijnbare wereld. Ik stroom over van de pracht, de vrijgevigheid van alles. En het enige wat ik heb gedaan was het op te merken.

De lakmoesproef voor zelfrealisatie is de constante staat van dankbaarheid. Deze dankbaarheid is niet iets wat je kunt zoeken of vinden. Het komt van een andere kant en neemt volledig bezit van je. Het is zo groots dat het niet kan worden afgezwakt of ergens mee kan worden bedekt. De korte versie zou zijn: het denken dat verliefd is op zichzelf. Het is de totale acceptatie en absorptie van zichzelf, op hetzelfde moment weerspiegeld in dat middelpunt dat als een samensmelting is. Als je je leven leidt vanuit die staat van dankbaarheid, ben je thuisgekomen.

Geen opmerkingen: