vrijdag 16 juni 2017

De Islam roosteren, yoga voor molims.

De filosoof Ramadan verkondigde na een discussie met Ayaan Hirsi Ali al vingerwapperend dat essentialisme een racistische daad zou zijn. Daaruit begreep ik dat de erkenning van en de kritische analyse op de essentiële bronnen van de Islam uit den boze is en verboden zou moeten worden. Immers, racisme is ook verboden.

Je zou kunnen zeggen dat essentialisme nog een stap verder gaat dan wat we zeggen met: ‘aan de vruchten kent men de boom’. Die volgende stap gaat over de vraag, waar komt die boom vandaan. Die komt uit het zaad. Het zaad van de Islam is de Koran samen met de woorden, daden en levenswandel van Mohammed. In het meer verre (dan het islamitische) oosten zijn filosofische richtingen die bepleiten dat men het zaad van een verschijnsel bewust moet worden om het te begrijpen en indien nodig op te lossen. De doorgaande cyclus van zaad – boom – vrucht - zaad- boom vrucht enz. enz. noemt men karma. Hoe bevrijdt men zich van karma? Door het zaad van karma onschadelijk te maken.

Hoe wordt volgens de yogi’s het zaad van karma onschadelijk gemaakt? Dat wordt duidelijk gemaakt met een gelijkenis. Men roostert het zaad, geroosterd zaad zal niets meer voortbrengen. Simpel, je neemt het zaad, doet het in een pan, zet dat op het vuur en roosteren maar. Maar dat is de gelijkenis. Wat wordt daar in de yogapraktijk nou mee bedoeld. Het zaad van je karma is je diepere overtuiging, je opvatting over de dingen en zaken, het leven, de werkelijkheid. Die overtuiging, dat zaad bak je in de pan van je aandacht, die verhit wordt met het vuur van inzicht en bewustzijn dat in die meditatieve praktijk ontstaat. In de yoga is dit een heel persoonlijk bewustwordingsproces. Maar we kunnen dit van het persoonlijke niveau natuurlijk overzetten naar politieke, culturele en maatschappelijke systemen. Bijvoorbeeld analyseren we al heel kritisch het kapitalisme, socialisme, christendom, jodendom, de westerse cultuur enz. Wat is dan het zaad? Dat zijn dan de leringen, de dogma’s, de waarden, normen en uitgangspunten, de vooronderstellingen enz. die we vaak onbewust in ons dragen en door welks bril we de realiteit zien. Of juist niet goed zien natuurlijk.

Wanneer we bevrijding van de problematische Islam nastreven moeten we dus het zaad van de islam, de essentie van de Islam onschadelijk maken door het in ons bewustzijn te roosteren. Nou ja, we? Als niet moslim moet ik toch zeggen, ze. Namelijk de moslims, zij zijn de dragers van dat karma.

In onderstaand filmpje zien we Hamed Abdel-Samad het zaad van de Islam roosteren. Het mooie is; hij heeft het helemaal niet van de yogi's geleerd. Hij heeft het helemaal van zichzelf. Het geeft hoop en moed om te zien dat vrijheid van denken en streven naar bewustwording overal de kop op kan steken, ook in de Islam. Wij kunnen er verwelkomend en ondersteunend naar kijken en helpen waar het nodig is en kan. Zo is dit stukje ook bedoeld. laten zien dat het een universeel principe is om naar bevrijding te streven en om vrij te denken. Overigens, over denken gesproken, dus heel wat anders dan wat DENK in Nl. ons voor lijkt te willen schotelen.

Klik hier voor het filmpje.

zondag 14 mei 2017

Caritas en de goedzakkendruk

Een zekere Dr. Wim Klever zei:

“Caritas aan niet-naasten is bedenkelijk. Zij zijn waardeloos (voor ons). Met hulp vermeerderen we onze vijanden en benadelen we onszelf.”

Daar valt wel het een en ander tegenin te brengen, bijvoorbeeld vinden velen dat er geen niet-naasten zijn omdat we allemaal mensen zijn en allemaal in hetzelfde schuitje (de hele aarde) zitten. Zo verdeel je de mensheid in wij en zij, dat is uitsluiting enz. enz.

‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’, is de titel van een soort van nieuw volkslied voor degenen die zich wereldburgers voelen en zichzelf tot wereldburgers verklaard hebben. Ondertussen tellen we op dit schuitje (de aarde) ongeveer zeven miljard naasten. Als je dat te veel vindt dan ben je een egoïst op z’n minst en moet je aan je invoelingsvermogen werken of misschien kom je er vanaf met het predicaat; xenofoob. Dat invoelingsvermogen laten groeien gaat vaak van start na de opmerking: ‘wat als jij in die positie verkeerde’? Of; ‘en als jij daar nou een geboren was’? Als je reageert met de opmerking; ‘als mijn tante ballen had was ‘t mijn oom’, dan ben je zwaar de pisang en dat voel je dan misschien weer wel aan. Daarom zeg je dat niet en verdraag je de druk van de goedzakkenfilosofie.

Op mijn Franse les van deze week vertaalden we een lied; ‘Les restos du coeur’, de restaurants van het hart. Dit lied heet al jaren (l’Hymne des enfoirés) het volkslied van de behoeftige arme drommels te zijn. Het wordt gezongen aan het begin en einde van liefdadigheidsconcerten om geld op te halen voor voedselbanken. In dat lied komt deze zin voor: “Als wij aan jullie denken is dat eigenlijk egoïsme, morgen maken onze namen die lijst misschien nog groter”. (Si nous pensons á vous c’est en fait égoïste, demain nos noms peut-être grossiront la liste.) Deze gedachtegang kennen we wel, het is het zogenoemde ‘welbegrepen eigenbelang’ om andere mensen te helpen. Help de ander want je kan ook in die positie komen. Of, erken je kwetsbare positie ook al heb je op dit moment geluk, wees solidair. De stelling van Dr. Wim Klever lijkt diametraal tegenover de idealen van dit Franse lied en de goede bedoelingen van de meerderheid van ons te staan. Het lijkt egoïsme tegenover altruïsme, liefdadigheid, solidariteit en eenheidsdenken.

Maar is dat wel zo. Naar mijn mening zijn het twee kanten van eenzelfde soort van denken waarin inderdaad wel twee tegengestelde praktische posities ingenomen worden. Maar in beide gevallen is er ego en eigenbelang in het spel, bij de een open en bloot naar buiten gebracht en bij de ander verborgen in een samenwerken tegen ongeluk en armoede. Net zoals we dat kennen van gastvrijheid met de onuitgesproken afspraak dat de gastheer bij jou op dezelfde manier gast zal kunnen zijn. Kan dat niet dan zal je dat merken, dan krijg je een veroordeling of ‘je hoort er niet (meer) bij’. Eigenlijk is het ruilhandel. Op zich allemaal heel menselijk. We moeten ons niet verbeelden dat het meer is dan ego en sociaal overlevingsinstinct, dat het liefde zou zijn, liefde dat boven dat alles zou uitstijgen. Liefde is geven om te geven. Niet omdat het moet, niet omdat er (bewust of onbewust) een ideaal of principe of gebod een rol speelt. Op die manier wordt er maar weinig gegeven denk ik. Maar aan de andere kant, of het nou uit zuivere of uit onzuivere motieven is, in de praktijk helpt iedere hulp. Dus waarom dit gefilosofeer zou u tegen mij kunnen zeggen maar doet u dat een andere keer.

Als het om de praktische uitwerking gaat, om het concrete effect van de hulp dan zou die gedachte van Wim Klever niet van de hand gewezen moeten worden als egoïstisch. Er zit heel veel waars in die stelling. Daarop doordenkend; hoeveel arme en ellendige levens zijn er in bijv. Afrika in gang gezet door levensreddende hulpprogramma’s voor baby’s. Hoeveel doden zijn er gevallen in de middellandse zee door de lokkende hulpprogramma’s van Europa. Dus wanneer het om het praktische reddende effect gaat wees dan ook praktisch en laat je niet leiden door emoties die je aan jezelf en anderen als liefde verkoopt. Werkelijke liefde zou een overlap met wijsheid hebben vermoed ik. Maar ook al bezit een mens liefde mét wijsheid toch zal ook die voor de situatie kunnen komen te staan om uit twee slechten de minst slechte te kiezen. Met alleen maar levensreddende emoties zal dat niet lukken lijkt me want dan willen we emotioneel en blind alles en iedereen redden waardoor tenslotte de reddingsboot zal zinken. De in de steek gelaten landen en culturen blijven dan ook qua bevolking berooid achter en de hele wereld is dan de derde wereld of erger.

Groot respect voor Paul collier, een man die durft te denken en niet in emoties blijft hangen. Lees alhier.

donderdag 9 maart 2017

Het vuile werk opknappen

Ik kreeg een naar gevoel toen ik las wat Mohammed Benzakour op 3 Maart in het NRC schreef:

“Islamvriendelijke verpleging is het minste wat je moslims, die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten, kunt aanbieden.”

Omdat ze hier vroeger hun geld kwamen verdienen moeten we ze op zijn minst islamvriendelijk verplegen. Dus weer een stapje sharia vriendelijker worden. Mijn gevoel blijft steken bij de woorden: “die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten.” Ik heb daar moeite mee. Het past een beetje in de opvatting die je steeds meer gaat horen onder nakomelingen van gastarbeiders. Terwijl autochtone jongeren dit verhaal gewoon mee papegaaien. Die opvatting is dat Turken en Marokkanen hier het land hebben opgebouwd na de oorlog omdat wij het niet wilden doen en anderen het vuile werk lieten opknappen. Mijn ouders, ooms, tantes, buren enz. lagen allemaal op hun luie rug te profiteren van de buitenlanders, zo is het beeld van de allochtone jeugd en als we niet oppassen staat het direct gewoon in de schoolboekjes. Nou ze moesten eens weten, de snotneuzen. Het steekt me. Wat houdt dat nare gevoel verder in? Ik voel me miskent en beledigd. Ik ga verder niet ter verdediging opsommen wat mijn vader en ook ik allemaal deden in die tijd. Ik wil hier alleen een stukje herinnering ophalen van een aantal jaren later toen ik ‘vuil en zwaar werk’ en de eerste gastarbeiders meemaakte.

Ik werkte ooit een tijdje in een looierij, ik hing daar vellen te drogen. Die waren in het stadium dat ze het midden hielden tussen huid en leer, of correcter gezegd ‘leder‘ om de echte looier niet tegen de borst te stuiten. Het moet ergens tussen ’67 en ’70 geweest zijn, misschien nog ietsje later, dat doet er niet zo toe. Er waren in ieder geval al behoorlijk wat gastarbeiders. Dat was jaren eerder begonnen met Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Ook herinner ik me dagelijkse bus transporten met Belgen die in de schoenindustrie kwamen werken. Kennelijk hadden de bazen aan orders geen gebrek. Er was heel veel werk, ze konden het gewoon niet bolwerken eigenlijk. Er zou dus volgens ons ook wel veel verdient worden door die bazen. Maar dat werd niet naar onze tevredenheid omgezet in loonsverhogingen.

Op de looierij waar ik werkte was ook een afdeling waar nog behoorlijk ouderwets gelooid werd. Het stonk daar verschrikkelijk, ondraaglijk gewoon. Niemand wilde daar graag werken natuurlijk. Ik heb me er nooit voor aangemeld maar ik weet wel dat wanneer ze me een paar gulden meer per week betaald zouden hebben ik er wel over na had willen denken. Hoeveel ik toen verdiende weet ik niet meer. Ik herinner me wel goed hoe het loon iedere Vrijdag aan het eind van de middag werd uitbetaald door de afdelingschef. Het zat dan in een klein envelopje met daarbij een lang loonstrookje waarop gegevens over de afgedragen verzekeringen en belastingen.

In die looiputten werkte een aantal niet al te snuggere mensen, anderen konden ze er kennelijk niet voor krijgen. Vooral een van hen viel op. Hij kwam uit een naburig dorp en was ‘te stom om vur d’n duvel te daanse’, zoals dat in ons dialect toen gezegd werd. Hij droeg een bril met hele dikke glazen, ik denk wel bijna een centimeter dik, ongelooflijk vond ik dat. Ik wist niet dat zoiets ook echt bestond.

Af en toe kon ik een blik in de richting van die afdeling werpen of in de pauze een kijkje nemen. Niet met warm weer natuurlijk want dan werd de stank zo mogelijk nog erger. Ik zag dat de directeur/eigenaar van de zaak zich wel eens met die ploeg en met deze jampotbrildrager bemoeide. Hij was een Joodse man van ik denk in zijn 40er 0f 50er jaren. Hij kwam eigenlijk een oogje in het zeil houden omdat de andere leden van die ploeg geneigd waren om misbruik te maken van deze man. Ze lieten hem dan (bij het omkeren van de huiden) langer in de put staan bijvoorbeeld omdat hij toch geen benul had van de tijd. Hij kon namelijk geen klokkijken, en dat had dus tenminste twee oorzaken.

Gastarbeiders

Er waren in die tijd ook Turkse arbeiders gearriveerd in deze fabriek. Na een tijdje kwamen er meer bij, ik geloof dat er 9 Turken werkten toen ik daar was. Dat zal later misschien wel uitgebreid zijn dat weet ik niet. Kennelijk had de directeur hen ook aangenomen om o.a. dit werk te doen. Dit gaf nogal wat consternatie onder ons. Aan de ene kant het gevoel van, ja ik wil dat werk wel doen – maar niet voor dat loon. En aan de andere kant het gevoel van, het is mij wel goed laat hun het maar doen. Als de stomme boeren uit het dorp ‘op zijn’ dan moeten ze maar ergens anders vandaan komen. Als zij het wel willen doen dan doen ze het maar. Kennelijk gaan ze er op vooruit want anders kwamen ze niet. Maar er was ook nog een ander gevoel, nl. een soort van opgelatenheid en schaamte. Nou moesten mensen met een andere kleur, van een ander ras het voor ons opknappen. Ook was er de gedachte van; waarom vinden ze niet iets uit. Ze kunnen wel atoombommen maken en raketten om naar de maan te vliegen waarom moet dit rotwerk nou nog steeds zo gedaan worden. ‘Ze’ dat waren dan de gestudeerden, de elite knappe koppen die bijvoorbeeld zo’n fabriek als deze bezaten.

Afijn de bedoeling was dus dat de Turken ook in de looiput aan de gang zouden gaan. Werken in een gemengde ploeg ging niet want ze spraken nagenoeg geen Nederlands. Het gaf ook onder hun nogal wat consternatie. Althans aan hun lichaamstaal te zien want Turks verstaan was er natuurlijk niet bij. Alle Turken hadden een snor. Alleen een van hen sprak wat Nederlands. Hij trad op als een soort van voorman en had (echt waar) de grootste snor. Ik verstond niet veel van hem in de weinige kleine gesprekjes die ik ooit met hem had. Wat hij me wel duidelijk maakte was dat hij vond dat zij gediscrimineerd werden.

Dat is best wel mogelijk. Er was woningnood bijvoorbeeld en waarschijnlijk zaten zij met z’n allen ergens in een huis te hokken van waaruit ze dan in verschillende ploegendiensten moesten gaan werken. Waarom liet deze directeur deze mensen overkomen uit Turkije, hoe kon het dat dit goedkoper voor hem was? Geen idee, ik ben nooit goed geweest in organisatie, zaken en economie. Overigens zijn dit begrippen die ik nu gewoon gebruik maar waarvan ik me herinner dat ze toen nog maar net deel begonnen uit te maken van mijn begrippenpakket.

Het moment brak natuurlijk aan dat ook de Turken er aan moesten geloven. Ook zij moesten in de stank aan het werk. Dat was toch wat. Zij voelden zich vernederd. Ja wie niet eigenlijk. Maar voor ons, in ieder geval voor mij kwam dat gevoel van opgelatenheid, plaatsvervangende schaamte of wat was het nou eigenlijk, weer naar voren.

Ik moet tussendoor even dit vertellen. Natuurlijk zijn Turken niet zwart, maar bij ons werden mensen met zwarte haren altijd zwart genoemd. Ook mijn vader was ‘ nun zwarte’, want hij had zwart haar. Hadden mensen een donker uiterlijk dan waren dat zwarten. Dat had al eerder wat moeilijkheden gegeven met de Indo’s en de Molukkers die al bijna 10 of 15 jaar in ons midden waren komen wonen. Ineens was iemand zwart noemen fout of op z’n minst zeer bedenkelijk. Voorheen werden woorden als zwartmoor en Turk gewoon gebruikt. Wel in semi-negatieve zin maar niet in racistische zin want er waren eenvoudig geen Turken en Moren. Dit zei je tegen elkaar.

Nou stonden daar ineens Turkse Turken met zwart haar en met zwarte snorren te werken in de stank. Zwarte stinkende Turken. Zij deden nu het werk dat wij voor dat geld niet meer wilden doen. Het gaf een beetje een machteloos gevoel want wat doe je daaraan. Schuif je een klasse verder op dat moet de verlaten klas weer opnieuw aangevuld worden. Maar tekenen van blanke schuld (terecht of niet) begonnen zich toen wel duidelijker kenbaar te maken. Een van de eerste sporen van het boze blanke man syndroom (BBM) zeg maar.

Maar wat zag je nou in die ploeg gebeuren? Eigenlijk precies hetzelfde als bij ons. Ook zij hadden een onderlinge pikorde. Ook zij hadden een stomme Turk onder hen, alleen had hij geen jampotglazen op z’n hoofd. De domste was ook hier de klos. Ik zag die directeur ook hier weer af en toe langs komen om zo goed en kwaad als het ging een oogje in het zeil te houden.

Achteraf heeft het allemaal niet zo lang geduurd voor hen. Het bleek een overgangstijd. De afdeling werd gemoderniseerd. De Turken keerden echter niet huiswaarts zoals de Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Hun gastarbeider schap liep als vanzelf over in emigratie. De gezinnen kwamen over en soms zelfs hun halve dorp. Dit waren mijn eerste contacten met gastarbeiders, met Turken. Hun moslim zijn was toen niet aan de orde we merkten daar althans niets van, dat kwam pas nadat er meer overkwamen en hun families en gezinnen meegebracht werden. Met andere woorden, toen de immigratie begon.

Werkstudent

Er was nog een andere ervaring op die fabriek die ik wil beschrijven. Ik heb dat altijd moeilijk kunnen benoemen maar misschien lukt het me op papier beter. Papier is geduldig ik kan stoppen en strepen enz. In de zomer kwamen er werkstudenten. Ik herinner me een gesprek met een student die me vertelde dat hij bewondering had voor ons dat we hier werkten, dat we zo konden leven. Hij zou dit niet kunnen zei hij. Hij was het nu na twee weken al helemaal zat en hij moest nu nog twee weken langer. Ik stond er naar te luisteren en ja te knikken en een beetje m’n schouders op te halen. Ik wist niet wat ik er van moest denken of wat ik moest zeggen. De student vervolgde met te zeggen dat hij de arbeiders nu beter begreep. Hij had in ieder geval geleerd de arbeiders te respecteren. Dat was nou iets wat wel bleef staan in mijn gevoel en herinnering. Het heeft wel lang geduurd voor ik me bewust werd wat dat nou eigenlijk was en wat het betekende.

Het was de realisatie dat die student me helemaal niet begreep, me ook helemaal niet zou kunnen begrijpen. Vier weken arbeiderswerk doen geeft natuurlijk best wel een ervaring en informatie over het werk en hoe dat moet zijn. Maar de staat waarin ik me bevond daar kwam ik zelf pas achter toen ik er uit ging groeien. Als arbeiderskind opgegroeid, in mijn zoveelste baantje en in een onbewuste staat van vanzelfsprekendheid dat dit tot mijn 65ste zou doorgaan. Een soort van zelfverdoving waarin je dan bent. Dat is niet iets wat je dan kunt ervaren, proeven of begrijpen als kind uit een ander soort gezin of als student, en uit een ander soort milieu.

Er waren mensen die op zo’n punt dan zeiden; maar dit wil ik niet meer, ik werk me er uit. Die zagen het licht en kregen een vuur in zich. Zo zijn verschillende arbeidersfamilies na een aantal generaties hogerop gekomen. Die wakkerheid en die opstandige ondernemendheid, die had ik niet in me. Ik ben er wel uitgekomen maar niet omdat ik dat op die manier plande. Ik bleef in een soort staat van; ‘je bent maar een arbeider'. Ondanks dat dat een veelgehoorde opvatting was waartegen door iedereen en ook door mij geageerd werd was ik me persoonlijk niet van de portee ervan bewust.

Het was een soort onbewuste energetische conditionering van wie ik was en hoe ik leefde. Door en voor de industrie gemaakt zijn, ontstaan zijn, eigenlijk gefokt zijn zelfs. Hoewel niemand dat ooit bewust van plan is geweest, dat neem ik tenminste aan. De betekenis van de woorden prul, proleet, proletariër en klootjesvolk ging ik pas later begrijpen. Als student kan je dat misschien theoretisch volgen maar dat ga je in vier weken vakantiewerk niet echt begrijpen.

Ik kwam hieruit omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Én natuurlijk omdat ook ik liever niet in de fabriek stond. Maar om me op te werken, me uit het arbeidersmilieu te verheffen is nooit in me opgekomen. Ik ging wel heel andere dingen doen, althans voor een arbeiderskind, deels uit een innerlijke drang en deels uit zwakte. Ondanks dat ik uit het arbeidersmilieu kom voel ik me daar niet helemaal meer thuis, en soms moet ik zeggen, helemaal niet. Ik mis dan wat.

Immigranten en emigranten

Als ik nu achteraf aan die ervaringen op die fabriek terugdenk komen er weer heel andere dingen naar boven. Bijvoorbeeld die Joodse directeur. Misschien was hij een socialist, ik weet het niet, hij was wel een sociaal mens. Het binnenhalen van goedkopere Turkse arbeiders echter lijkt meer op VVD en ondernemers gedrag. Misschien moest hij wel, hij zal ook hebben moeten concurreren neem ik aan. Nu 40 jaar later, heeft de immigratiegolf een dusdanig karakter aangenomen dat zijn kleinkinderen moeten emigreren naar Israël vanwege de kleinkinderen van de arbeiders die hij indertijd hier binnenhaalde.

Ik zie in hoe moeilijk het is om elkaar te begrijpen. Die student en ik bijvoorbeeld, een wereld van verschil, ik begreep pas later hoe weinig we elkaar begrepen. Ik begrijp nu die situatie van 45 jaar terug wel beter. Maar zou ik de studenten van nu begrijpen die tenslotte toch behoren dan tot mijn eigen cultuur groep? Kan ik begrip hebben voor Turken, Marokkanen, hun kinderen en kleinkinderen? Benzakoer wil dat we hen tenminste een Islamvriendelijke verpleging geven OMDAT ze het vuile werk opknapten. Ik begrijp dat ze dat verlangen en ik wens die oude gastarbeiders een reis naar hun thuislanden met daar een Islamitische verpleging toe. Maar ik wil geen enkele sharia vriendelijkheid in dit land. Na 45 jaar zie ik nog precies dezelfde gevoelens en houdingen: Bij hen die speciale eisen en dat afpersen met argumenten die vooral lijken voort te komen uit het gevoel van vernedering, die te maken hebben met hun eer en gekwetste trots. In dit voorbeeld hebben ze anderhalf á twee jaar in de looiput gestaan, Nederlanders anderhalf á twee eeuwen. Aan de andere kant zie ik het Nederlandse gevoel van schaamte, opgelatenheid, schuld, onthand zijn met de situatie en alsmaar het goede bedoelen en willen doen. Schuld voelen vooral, dat zit hardnekkig en diep.

woensdag 2 maart 2016

Eenheid en Tawhid, Mohammed een godlasteraar. (1)

Kan kritiek vanuit mystiek en esoterische filosofie helpen de orthodoxe en dogmatische islam te openen.

Aan het Ene dat alles te boven gaat kan geen eigenschappen toegekend worden.

Ieder beeld dat van het beeldloze gemaakt wordt haalt dat beeldloze naar beneden.

Het aanbidden van een beeld (van god) is godslastering of afgoderij.

Ik ga een poging wagen om een ideologisch en politiek maar een ‘in de kern spiritueel systeem’ juist op datzelfde spirituele gebied tegemoet te treden.

Wat is de kern van de Islam? Volgens mij is dat ‘Eenheid’. Iedere spirituele traditie of mystieke school stelt een oerbeginsel voorop als grond, begin en eindpunt van alles. Er wordt door menigeen als vanzelfsprekend aangenomen dat iedere godsdienst zo’n spirituele kern of ‘mystiek hart’, in zich draagt en dat verwachten we ook van de Islam. Dat is de reden voor mij om dit preciezer te onderzoeken.

Die vooronderstelling, dat beginsel wordt beschreven als grenzeloos, tijdloos, eeuwig en oneindig. Het wordt ook beschreven als onkenbaar, ondenkbaar en onvoorstelbaar, omdat het geen beeld of vorm heeft. Het is onnoembaar en ondenkbaar enz. enz. Het kan niet positief of positivistisch beschreven worden. Hiervoor wordt vaak de ontkennende negatieve manier van beschrijven gebruikt: on-eindig, tijd-loos, grenzenloos enz.

Gelukkig is ons verstand in staat te vatten dat dit niet te vatten is. Een verstandig mens weet dat je met het denken niet een antwoord moet verwachten over, of vanuit het ondenkbare. De vraag is, wat doet een mens op dit punt waar op de ons bekende manier niets te kennen en niets te zeggen valt. Degenen die intuïtief of op mystieke wijze toch op een of andere manier dit niets ‘kennen’ nemen hun toevlucht tot het schrijven van het woordje Niets met een hoofdletter. Men spreekt over de grote leegte, over ruimte of over de ongrond die vooraf gaat aan de grond van het bestaan. Naast de negatieve of ontkennende manier van beschrijven wordt soms de analogische of symbolische manier gebruikt. Bijvoorbeeld; het licht symboliseert het ene dat het niets is waaruit de kleuren (de dingen die bestaan) van de regenboog uit voortkomen. Een derde manier is het gebruik maken van de overtreffende trap; bovenwezenlijk, alles overtreffend zoals in India het Para-Brahman, boven-goddelijk.

Niets

Dit niets met een hoofdletter, dit mysterieuze oerbeginsel wordt ook wel de al-geest genoemd of de grote geest. De kwestie of deze geest een menselijke projectie is omdat de mens het niets niet aan zou kunnen laten we hier maar even rusten. Het woord spiritus heeft de betekenis van universele geest. Het huidige begrip ‘spiritualiteit’ vindt hierin zijn oorsprong en diepste betekenis. Van dit Niets wordt gezegd dat het de oorzaakloze oorzaak (want zelf niet veroorzaakt) van al het bestaande is. Het wordt het ene genoemd. Het is belangrijk om op te merken dat hier een woord dat een getal aanduidt (een, het ene) wordt gebruikt voor nul, voor geen-getal. Daarnaast moeten we opmerken dat we spreken over ‘het ene’ en niet over ‘de ene’. De uitspraak de ene, zou een getalsbetekenis kunnen hebben, de eerste in een reeks, of de enigste in zijn soort waarvan er maar een is. Maar zou desalniettemin in de categorie ‘getal’ vallen. Niets, soms als ‘het ene’ benoemd valt daar buiten. Logischer wijze kan dit ook weer niet maar we zagen al dat we hier met denken en taal aan onze grens zitten. Dit qua logica en filosofie verder uitwerken valt buiten mijn kunnen en (daarom) ook het bestek van dit opstel. We gaan verder met het geconstateerde verschil tussen de voorzetsels ‘het’ en ‘de’ voor het woord ‘ene’. Het gaat om de betekenis van nul, van niets. Het is de nul die voorwaarde is voor het getal een, evenals de reeksen die daar uit volgen. ‘Het ene’ verwijst naar nul of niets. ‘De ene’ verwijst naar een, de enige of de eerste. Een is een getal, voortkomende uit geen getal. Iets, voortkomende uit niets. Een wonder eigenlijk, wat verbluffend toch dat er iets is en niet niets.

Het goddelijke en god

Een is dus de eerste in getal, in hiërarchie. Nul is geen getal, geen hiërarchie en is de onvoorwaardelijke voorwaarde voor een en alle getallen, voor reeksen en hiërarchieën, voor alle dingen en bestaansvormen. De gelijkwaardigheid van alles, van de verscheidenheid van mensen en dingen kan alleen in de nul gevonden worden. Niet één maar nul staat voor de onvoorwaardelijke gelijkwaardigheid van alles. Spinoza erkende bijvoorbeeld één absolute substantie als (oer)grondbeginsel van al het bestaande. De gelijkwaardigheid van alle mensen leidde hij daaruit af alsmede vrijheid en democratie. Dus tegenovergesteld aan wat de mono-theïsten er uit afleidden. Dit uitgaan van een beginsel van eenheid noemt men monisme in tegenstelling tot dat van dualisme tussen geest en materie of, het dualisme tussen god en niets.

Monisme

Het monistische standpunt zegt dat er een (eventueel goddelijk te noemen) eenheidsbeginsel is waar alles uit voortkomt, zonder een scheppende god die er a.h.w. naast (be)staat. In dat dualisme is god de schepper (theos) de eerste, de ene of de enige. Dit laatste is de mono-theïstische visie, daarnaast hebben we de visie dat er meerdere goddelijke krachten aan het werk zijn. Worden die veroorzakende, scheppende krachten als goden gezien dan hebben we te maken met polytheïsme. Hieruit blijkt dat atheïsten dus best monisten (maar geen mono theïsten) kunnen zijn. Voorbeelden zijn het Taoïsme en Boeddhisme. Ze zijn monistisch waar ze van een eenheidsbeginsel uitgaan. Ze zijn niet-theïstisch waar ze geen scheppende god erkennen. Taoïsme en Boeddhisme een godsdienst noemen is feitelijk onjuist. We kunnen ze voorbeelden van spiritueel humanisme noemen in tegenstelling tot het in het westen overheersende materialistisch humanisme.

Vaak verkeert dat humanisme en atheïsme nog in een reactieve houding naar het monotheïsme. Een beetje ingewikkeld? Misschien, maar het is de moeite waard om het verband tussen spirituele stromingen en culturele ontwikkelingen te zien.

Uit nul en een komt het vele voort, uit niets en iets komt alles voort. Het oneindige beginsel geeft alles van zichzelf en verliest niets, het blijft eeuwig volledig, zichzelf. Het is en blijft een en heel. Gezien vanuit ons, vanuit onze eindigheid is het, ‘het totaal andere’. Tegelijk is dat andere in alle dingen. Het oneindige beginsel kan niet ergens niet zijn. Alle dingen zijn in dat en dat is in alle dingen. Het is het al in alles. Alles is een en een geheel.

Dit is het eerste van de drie delen van dit artikel. Het is in zijn geheel als essay verschenen op het opinie en debatblog Veren of Lood (klik hier) en er zijn daar ook wat meer reacties te lezen dan op dit blog.

Eenheid en Tawhid, Mohammed een godlasteraar. (2)

Tawhid en Allah

Tawhid is eenheid. Eenheid en ondeelbaarheid van Allah. Er wil mee gezegd worden dat God – Allah volstrekt ondefinieerbaar is, uniek en ondeelbaar. Tawhid betekent ook, de enigheid van Allah. Allah kan met niets vergeleken worden, en er is ook niets dat met Allah vergeleken kan worden. Het gaat hier dus om ‘het totaal andere’ wat we van meerdere mystici horen uit alle tijden en culturen. Denk bijvoorbeeld aan ‘Ain Soph’ uit de Joodse mystiek, het Para Brahma (boven goddelijk) uit de Hindoesche mystiek, het Tao bij de Taoïsten of ‘het Ene’ van Plotinus. Het gaat dan m.i. om een dimensie die eigenlijk geen dimensie meer is. Die buiten tijd en buiten vorm is. Daarmee ook buiten taal en denken, dus onkenbaar en ondenkbaar inderdaad ondefinieerbaar, zoals we al eerder zagen. Deze laag of dimensie van het ongeschapene, het oneindige, het oorzaakloze en onveroorzaakte (verwekte niet, noch werd verwekt, soera 112:4) kunnen we nul noemen (0). Wanneer het mysterieuze wonder geschiedt dat niets (0) iets wordt kunnen we een eerste oorzaak aannemen. Je kan dat ook creatie of schepping noemen. Dit kunnen we één noemen (1). Nul wordt hier een. Niet bestaan wordt bestaan. Getal wordt geboren uit geen-getal Die eerste oorzaak werkt door en veroorzaakt meerdere dimensies, tijd, fasen en vormen. Wij mensen staan (natuurlijk) graag stil bij het moment dat de mens veroorzaakt wordt, dat hij geschapen wordt. De mens benoemd die veroorzaking vn zichzelf dan als; “God of Allah schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis”. Dit kunnen we twee noemen (2).

De fouten van de monotheïsten

In feite hebben we nu drie dimensies, 0, 1 en 2 die alle drie Allah of God genoemd worden. Misschien gaat het ons toch allemaal wat ver boven de pet? Voor Jan met de pet mag dat maar een dergelijke laat maar waaien houding is geestelijke leiders zeer kwalijk te nemen. Niet in het minst de heer Mohammed, de profeet, stichter van een wereldgodsdienst. Maar we waren er nog niet want we moeten het verschijnsel in ogenschouw nemen dat de mens zich geleid of geïnspireerd voelt en ook die inspiratie als een entiteit beleefd en die ook weer Allah of god noemt. We hebben nu tenminste al vier betekenissen die met hetzelfde woord, God of Allah worden aangeduid. Dit is de makke van ieder monotheïsme. Het ‘er is maar één god’ dogma is nodig in de strijd tegen het polytheïsme en eist hier zijn tol.

Waar ‘De ene’ aanbeden wordt en er geen plaats is, of zelfs niet mag zijn voor ‘het ene’. Waar geen plaats mag zijn voor meerdere dimensies, lagen en betekenissen, daar weet je dat je op je hoede moet zijn. Hier is onwijsheid, gebrek aan kennis en filosofie aan het werk. Of misschien meer waarschijnlijk is hier politiek en machtswellust aan het werk. Culturele- en volksinspiratie, zelfs het stamgod bewustzijn gaat onder de term Allah of God vallen.... omdat er maar een god mag zijn, allemaal ‘de ene’. Dit is m.i. de verkrachting, de verpolitisering en corrumpering van de geestelijke, spirituele kern die in de Koran te vinden is maar daar tegelijk ook verkracht wordt. Macht wordt verkregen door de lagere dimensies of godsideeën te bekleden met de absoluutheid van het oerbeginsel waar we mee begonnen. In meerdere scholen wordt die ‘oorzaakloze oorzaak’ inderdaad ‘het absolute’ genoemd.

Godslasteringen door Mohammed

Blijkbaar wilde men (men = Allah, Gabriël en Mohammed) in die tijd de Arabische mens onderwijzen over het allergrootste ene. Middels het medium Mohammed werd een poging gedaan om –ter bevordering van vrede en eenheid- het concept van de allerhoogste dimensie binnen hun denk- en leefwereld te brengen. In de taal en cultuur van groot, groter, grootst, allergrootst moest de dimensie, die geen dimensie meer is, de 0 (nul) dimensie als ‘buiten’ allergrootst worden binnengebracht. Het moest gaan over dat wat buiten ‘getal’ staat, buiten één of eerste. Het mystieke ‘ene’, tijdloos en vormloos waar alles uit voortkomt en weer in opgaat.

Onder Allah Akbar (= Allah is groter), zou volgens mij begrepen moeten worden dat Allah buiten de categorieën van groot en klein, van eerste en laatste en van vorm valt. Net zoals, Para Brahman en Ain Soph. Gezien de verwording van deze betekenisvolle woorden tot een ordinaire superioriteitskreet, hebben weinig volgelingen van Mohammed dit zo begrepen en hij zelf vatte het blijkbaar ook niet op die manier op. Allah wordt opgevat als nummer een. En hier staat de muur tussen de innerlijke mystieke opvatting en de uiterlijke orthodox dogmatische opvatting. Bijna op iedere bladzijde in de Koran is Allah een volksleider die begiftigd wordt met de dimensies van 2, 1 en zelfs 0, wat hem maakt tot een absolutistische,verschrikkelijk willekeurige en machtige God. De Koran doet op die manier erg zijn best om te zondigen tegen haar eigen gebod dat van Allah geen beeld gemaakt mag (en kan) worden. Ieder beeld dat gegeven wordt van dat wat beeldloos is haalt dat beeldloze naar beneden. Het is nota bene Mohammed zelf die zegt dat Allah - het Ene geen eigenschappen toegekend mag en kan worden. Hij doet het echter zelf voortdurend. Dit heet godslastering. We kunnen toch slecht aannemen dat ‘geen beelden maken’ alleen betrekking heeft op steen, klei, hout of getekende en geschilderde beelden en niet op innerlijke beelden. Mohammed en/of Allah voedt de oemma van gelovigen in de Koran constant met beelden. En vaak nog van die vreselijke ook.

Tawhid en Oemma

De Eenheid van Tawhid moet worden uitgedrukt in de eenheid van de gemeenschap van gelovigen.

Die eenheid van gelovigen krijgen we vaak gedemonstreerd, bijvoorbeeld wanneer Marrokaanse, Pakistaanse of Turkse gelovigen zich één voelen met Palestijnse gelovigen. Het onrecht aan Palestijnse gelovigen aangedaan treft ook andere gelovigen in hun ziel. Ze zijn bereid om de strijd voor ‘hun’ rechtvaardigheid aan te gaan. De oemma blijkt een wereldgemeenschap. Moslim zijn is een identiteitsanker dat kennelijk sterker is en dieper ligt dan de betekenis van een Marrokaans of Turks paspoort, laat staan dat van een Europees tweede paspoort.

Er zijn ook andere kleinere voorbeelden van te geven. Zo is het verkondigen van de alomtegenwoordigheid van god in tegenspraak met de plicht om ‘overal in de richting van Mekka’ te bidden. Die alomtegenwoordigheid zou toch betekenen dat je in iedere richting kunt bidden? Ik kan dit alleen maar verklaren door hier een politieke bedoeling in te zien. Eenheid maakt macht.

Eenheid en Tawhid, Mohammed een godlasteraar. (3)

De allerhoogste eenheid van Allah wordt heel onmiddellijk en direct vertaald en toegepast op de aardse en sociaal maatschappelijke realiteit. Een kenmerk van de Islamitische exoterie. Dit is het politiseren van het goddelijke onkenbare. Dit is godslastering of blasfemie want het onkenbare waaraan geen eigenschappen kunnen worden toegekend wordt verlaagd, er worden constant eigenschappen toegekend. Maar de Islamitische god mag dat kennelijk doen, hij mag met zichzelf in tegenspraak zijn. Want, wie zijn wij? Allah weet het beter.........

Zo wordt er bijvoorbeeld gezegd; ‘Hij’ is onafhankelijk, uit zichzelf bestaand (=ongeschapen en onsterfelijk) zichzelf genoeg, eeuwig. Hij verwekte niet, nog werd hij verwekt. Het gebruik van het woordje ‘hij’ is een voorbeeld van hoe het ‘heilige hele ene’ dat buiten tijd en vorm is, wordt beperkt en vermenselijkt, zelfs vermannelijkt. ‘Hij is de Ene’! Dit gebeurd in een en dezelfde zin. Hadden die Gabriël en Allah niet een beter filosofisch onderlegde boodschapper kunnen vinden?

Dit werkt verder door in het Mohammedaanse denken. Zo kun je daar horen; 'hoe kan ik onverschillig blijven bij het zien van iets dat Allah haat'. Dit is al godslastering. Allah wordt hier de eigenschap van haat toegeschreven. Dat het in dit geval de eigenschap van haat is doet er eigenlijk niet zoveel toe. Een eigenschap toeschrijven aan dat waar je geen eigenschappen aan toe kunt schrijven een godslastering noemen en daarna over de haat van Allah spreken…. dat moet toch wel tot kortsluitingen leiden?

Het ‘ondefinieerbare’ wordt hier vereenzelvigt met een god die de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis. Hier niet meer te ontwarren van, de mens die god schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis. In een moeite door wordt die hoogste betekenis van Allah vereenzelvigt met de god van een volk die wanneer het hem zint de voorkeur geeft aan een ander volk. Over toeschrijven van eigenschappen gesproken, dus over godlastering gesproken....

Had de Koran de bedoeling om het godsbeeld van ‘de mensen van het boek’, d.w.z. de Joden, Christenen en Zoroastriërs, naar een hoger en mystieker plan te verheffen dan lijkt mij dit een slechte poging geweest te zijn. Maar wellicht was er niet zo’n mystieke – spirituele bedoeling maar meer een politieke bedoeling. Misschien was de bedoeling meer exoterisch dan esoterisch. De leer van tawhid wordt inderdaad volledig in de praktijk gezet en vastgelegd middels de oemma en de sharia. Deze drie plus de 5 zuilen van de Islam maken de eenheid van de Islam zo hard en ongenaakbaar. Juist omdat het allerhoogste, transcendente onmiddellijk en totaal in het uiterlijke aardse is omgezet.

Verband tussen godsbeeld en mensbeeld

Transcendente, absolute almacht ongefaseerd omgezet in samenlevingsvormen. Dit is een van de belangrijke verschillen met een meer esoterische leer. Het toeschrijven van bovenmenselijke dimensies aan een anderszins vermenselijkt godsbeeld kan niet zonder gevolgen blijven. Er is namelijk een grote samenhang van het godsbeeld en het mens- en zelfbeeld dat mensen hebben. Absolute grenzeloze wil en dito vrijheid en willekeur (want immers ondefinieerbaar en onkenbaar) toeschrijven aan een mensvormige god waar mensen zich aan onderwerpen, aan gehoorzamen en zich in feite dus mee identificeren moet wel gevolgen hebben voor de psychologie en de cultuur van de gelovigen. Een onderworpene aan Allah mag en zal nooit inbuigen naar iets anders dan Allah.... Hoe (geestelijk) soepel leef je dan in een wereld vol diversiteit, en vooral, hoe leef je dan in een niet-Islamitisch land?

Natuurlijk zijn er grote voordelen aan te wijzen in de ontwikkeling naar een monotheïstisch en mensvormig godsbeeld. Er zijn echter ook nadelen. Daarom moeten er borgingen zijn in een religieuze totaliteitscultuur zoals de islamitische. Borgingen in de zin van wegen en mogelijkheden om het exoterische, letterlijke uiterlijke geloof te balanceren met esoterie, verdieping, meerzinnigheid, differentiatie en nuancering. Er moet openheid en persoonlijke vrijheid zijn om innerlijke ervaring en onderzoek een rol te laten spelen.

De Soefi en andere esoterische tradities hadden die borgingsfunctie kunnen krijgen. Maar esoterie en mystiek hebben door de strakke dogmatische grip van de islam op het zielenleven van de gelovigen niet lang kunnen overleven. Na Ibn Arabi en Suhrawardi hoor je vanaf de 14de eeuw er eigenlijk niets meer over. De oorzaak daarvan is m.i. in de Koran zelf te vinden. Esoterie, gelaagdheid van betekenissen, persoonlijke vrijheid voor interpretatie en innerlijke ervaring worden in de Koran zelf ontmoedigt en geblokkeerd.

Soera 3:7 zegt, hier weergegeven in een eigen samenstelling van vertalingen:

“Hij is het die u de schrift (het boek) heeft nedergezonden; er zijn verzen in die fundamenteel en onoverdrachtelijk zijn in hun betekenis, zij vormen de grondslag van het boek (wettelijke verplichtingen en strafwetten), anderen zijn zinnebeeldig (allegorisch) en overdrachtelijk. Maar degenen in wier hart dwaling (twijfel) is gaan na wat er meerzinnig (symbolisch – allegorisch) van is in begeerte naar verzoeking en in begeerte naar uitlegging ervan. Maar niemand kent de juiste uitleg dan Allah – en degenen die vast gegrondvest (stevigstaand) zijn in kennis, die zeggen: “Wij geloven er in; het geheel is (het is alles) vanwege onze heer”, en niemand trekt er lering uit, dan zij, die begrip hebben (dan de verstandigen)”.

Dus hoewel hier toegegeven wordt dat er verzen zijn met een diepere betekenis gaat het toch vooral om de fundamentele, onoverdrachtelijke verzen. De uiterlijke, exoterische verzen. Mocht je geïnteresseerd zijn in diepere zaken en dimensies dan ben je kennelijk in twijfel of dwaling en begerig naar verzoeking en uitlegging. Het lijkt niet erg halal te zijn om daaraan te beginnen. Je moet dan kennelijk te rade gaan bij de stevigstaanden en verstandigen in kennis. En wat wordt hier gezegd over die verstandigen? Zij “geloven er in”, staat er en zij verzekeren ons ervan dat de totale leer een gehele eenheid is. Wat een grip op het zieleleven en wat een gesloten systeem wordt hier gecreëerd. Wat betekent dit voor mensen met een open, nieuwsgierige en creatieve geest? Wat een wantrouwen van Mohammed en Allah spreekt hieruit naar hun gelovige volgelingen. Wat een strak, streng en totalitair bewind.

Was deze aanpak van het drietal (Allah, Gabriël en Mohammed) misschien nodig voor de Arabieren van toen? Is die aanpak nu nog nodig voor de moslims in deze tijd? Is dit de aanpak die nodig is voor naar het westen geëmigreerde moslims? Wat denken de hier ingevoerde Imams hiervan? Komen ze hier eenkennigheid, xenofobie, assimilatie-angst, behoud van de ware leer verspreiden of zijn ze progressief?

Bovengenoemde Islamitische manier van opereren creëert geen geestelijken, mystici of heiligen maar eerder priester-politici. De in het begin nog aanwezige esoterie in de islamitische gebieden, die leunde op geïslamiseerde Joodse en Christelijke gnostici en neo-platonici (werd Soefi) heeft dan ook niet erg kunnen bloeien. De exoterische machtsgrip van de Koran had zijn uitwerking op de Islamitische culturen en de mystiek. De spiritualiteit en de esoterie zat na zo’n 5 á 600 jaar islam definitief op slot.

Gaan de poorten van de Itjihad (interpretatie en uitleg/vernieuwing) ooit weer open? Zal er door de botsing met het westen een celdeling gaan ontstaan in plaats van een verdere verstening van de eenheid?

maandag 6 april 2015

Destructief “modern” clangedrag in Nederland.

Op 22 maart 2014 schreef ik op dit blog een reactie (hier te lezen) op Chris Rutenfrans' artikel in de Volkskrant genaamd ‘Denken in groepen is achterlijk’. Dat artikel was een reactie op Wilders’ bekende ‘minder Marokkanen’ uitlokking van enkele dagen daarvoor, op 19 maart. In mijn reactie op Rutenfrans’ artikel verwees ik via een link naar dit onderhavige artikel van Mellema. Het bleek mij onlangs echter dat die link niet meer werkte. Gelukkig heb ik ooit dit artikel zelf opgeslagen en kan ik het nu weer als link doorgeven op mijn eigen blog. Om die reden staat dit artikel hier nu. Ik heb Stefan Mellema niet kunnen opsporen. Mocht hij bezwaar hebben tegen dit gebruik van zijn artikel dan hoor ik dat wel. Ad Rek
.

Destructief “modern” clangedrag in Nederland

Door Stefan Mellema, 26 November 2007

Als we de neiging van veel autochtone Nederlanders om toch maar vooral elkaar, maar niet onze allochtonen te bekritiseren eens bekijken vanuit het perspectief van de evolutiebiologie, dan wordt opeens het één en ander duidelijk. Zo had u het waarschijnlijk nog niet bekeken!

Wel hard optreden en roepen om harde actie tegen vandalistische scholieren, maar niet tegen de straatterroristen. Wel rechts hard aanvallen op vermeende discriminatie van minderheden maar niet net zo hard de onverdraagzaamheid van een groeiende groep medelanders aan de kaak stellen. Wat is er toch aan de hand met Nederland? Is het slechts angst voor en de onzekerheid over de „nieuwe“ culturen, of is er meer aan de hand? Het probleem gaat veel dieper. Het ligt op een primitief en evolutionair bepaald niveau waar we ons allen maar niet aan kunnen onttrekken: Het menselijke clangedrag!

De huidige mens is het meest intelligente „beest“ op deze aardbol. Dat het zo ver is gekomen heeft veel te maken met een gedurende vele tienduizenden jaren geperfectioneerde samenlevingsvorm: De clan!

In de prehistorie was het leven geen pretje. Vijandige stammen, roofdieren, honger, koude, dodelijke ziekten, en niet-1,2,3-dodelijke parasieten waardoor je als het even tegenzat je je hele miserabele en vaak korte leven verzwakt en pijnlijdend rondliep. Maakte je echter deel uit van een groep mensen, dan steeg de kans om te overleven en je voort te planten significant. Voldoende grote groepen werden minder snel aangevallen en hadden veel minder last van roofdieren. Bovendien konden ze door een goed afgestemde taakverdeling en de daarmee gepaard gaande specialisering per persoon meer voedsel verzamelen dan een eenling, wat o.a. zeker cruciaal was om bijvoorbeeld in Europa, de winter door te komen. Leden van een clan waren vaak fitter, gezonder, sterker. Iets wat dan weer hielp om succesvoller te zijn bij de jacht, het verzamelen en het grootbrengen van de kinderen. Hoe langer de ouders overleefden hoe succesvoller de nakomelingen waren. Sterker nog, hebben de kinderen zowaar grootouders dan stijgt de overlevingskans nog verder!

Eén van de grootste zorgen van de mens in die tijd was dan ook om vooral niet verstoten te worden door de rest van de clan, want dat stond dan vaak gelijk aan je doodvonnis. Je moest er dus voor zorgen geliefd en nuttig te zijn en te blijven voor de groep. Een simpele daad om je geliefd te maken in de groep kunnen we al bij de apen ontdekken: Elkaar vlooien. De mens was in aanleg slimmer en ontwikkelde over lange tijd een heel arsenaal aan methoden om aan de profitabele binding met de groep te kunnen werken. Dat we vandaag de dag talen kunnen spreken, een uitgebreide mimiek en lichaamstaal hebben, en daarbovenop allerlei complexe emotioneel intelligente omgangsvormen ontwikkeld hebben, komt simpel en alleen omdat we daarmee ons overleven binnen de clan konden en nog steeds kunnen „verzekeren“.

Maar door een emotionele binding aan de groep bereikte men nog meer: Een hechte groepsband hield de clan ook in moeilijke tijden bij mekaar, waardoor juist de sociaalste clans konden overleven omdat die het stabielst waren. Sociaal gedrag was dus voordelig voor zowel het individu als de clan. Een win-win situatie! (Maar er zit een addertje onder het gras zoals u verderop kunt lezen.)

Oorspronkelijk bestonden de clans vooral uit families. Waarbij de genetische verwantschap leidde tot opofferingsgezindheid, ook wel altruïsme genoemd. Liefde, hoe hard en koud dit ook mag klinken is dus gewoon een bindingsfactor die we in de loop van onze evolutie hebben „opgepikt“, omdat dit ons als soort succesvoller maakte (wat natuurlijk niets afdoet aan de schoonheid van liefde!). Later werden de groepen mensen groter, vooral toen de landbouw werd ontwikkeld en men het zich kon veroorloven zich ergens te vestigen (jagers waren nomaden omdat een jachtgebied snel uitgeput was). In de groeiende nederzettingen kwamen steeds meer families samen. Om toch met elkaar uit te komen had men vanaf toen meer dan alleen altruïsme op grond van de bloedband nodig. Vooral in de nederzettingen werden daarom alle vormen van taal ontzettend belangrijk om conflicten vreedzaam op te lossen. Omdat rebellen de interne vrede verstoorden en dus in principe de samenhang bedreigden waren ze nooit geliefd. Dat we vandaag de dag noch steeds rebellen (klokkenluiders, ja zelfs andersdenkenden kun je hiertoe rekenen) kennen hangt ermee samen dat ook zij een nuttige functie vervulden (en nog steeds vervullen!), oa om de clan tijdig tegen dreigende gevaren te waarschuwen (wat dan weer bijdroeg aan het succes van de clan).

Vandaag de dag kunnen de meesten van ons niet meer één bepaalde clan aanwijzen waarvan we deel uitmaken. De moderne mens begeeft zich gedurende zijn leven in en door vele clans en clanstructuren: De familie, de school, het voetbalteam, de politieke partij, de gemeente, het land, de religieuze gemeenschap, alle mogelijke clubs. Deze zijn in principe allemaal als clans te identificeren, en wel zodra we ons als deel van een bepaalde groep voelen. We voelen ons thuis in het voetbalteam, de kerk, de moskee, de partij, bij deze krant, bij die televisiezender, enz.

En na vele tienduizenden jaren zitten we muurvast aan onze drang tot altruïsme en vriendelijk, sociaal te zijn tegenover elkaar om maar die clanvrede te kunnen bewaren. De aanleg voor deze gedragingen zijn in ons genoom (de gehele verzameling genen) verankert. Nu begrijpt u misschien ook waar die angst bij velen voor eenzaamheid vandaan komt... Tegelijkertijd zitten we ook muurvast gelijmd aan onze afkeer van rebellen (klokkenluiders, andersdenkenden, enz.) omdat die de vrede, de sociale cohesie kunnen bedreigen. En ja, en dan sluimert er in ieder van ons ook nog eens een potentiële „rebel“....

Als je als clan bedreigd word is het eerste waar je naar kijkt de vrede in de eigen groep. Want eendracht is inderdaad macht. Samen sta je sterk... ook tegenover de vijand. Dat heeft de evolutie ons bewezen en zo heeft de evolutie ons geselecteerd. Duikt er in het territorium, bijvoorbeeld afgebakend door de landsgrenzen van de clan „Nederland“, een als mogelijke bedreiging opgevatte nieuwe clan op, dan zullen de rebellen zich hier als eerste tegen weren en de clan waarschuwen. Of dit nou als terecht of niet wordt ervaren door de meerderheid van de clan, hangt af van de dynamiek in de clan.

Als je in een clan zit die al tijden voorspoed kent en gevrijwaard is gebleven van gewapende conflicten, dan overheerst het op eenheid gerichte groepsgedrag. De agressieve alfamannetjes binnen de clan zijn sociaal gecastreerd en beetje bij beetje wordt hen hun oorlogstuig weggenomen (ze vervullen volgens de pacifistische meerderheid in de clan geen belangrijke functie meer). In een clan (samenleving) die in slaap gewiegd is door langdurige vrede is de verdedigingsdrang en territoriumdrang weggeëbd. Altruïsme en socialisme overheersen en bepalen de toon in de clan. In zo’n atmosfeer hebben clan-interne rebellen het altijd moeilijk en worden de eerste en meest luidruchtige rebellen vaak verstoten of zelfs gedood, en worden de vriendelijke rebellen genegeerd. Alleen de meest doortastende en verbaal agressiefste rebellen hebben een kans. Maar alleen als ze op een achterban kunnen rekenen die zo groot is dat het voor de clan niet meer mogelijk is deze groep uit te stoten zonder dat dit zware consequenties zal hebben. Van dit soort rebellen kun je dan alleen nog maar afkomen door ze te vermoorden of met alle mogelijke trucs van de achterban te isoleren..... Vaak opereren zowel de rebellen als de anti-rebellen echter met enige voorzichtigheid. De rebel omdat hij het liefst niet uitgestoten wil worden door zijn gedrag, maar ook de anti-rebellen omdat die ervoor beducht zijn zelf op een gegeven moment ervan beschuldigd te worden dat ze de eenheid op het spel zetten.

Maar er speelt meer: Een clan die al lang geen oorlog heeft gekend maar wel veel voorspoed is veel opener naar buiten toe. Dit biedt de kans aan opportunisten, waaronder uitbuiters en groepen die niet geïnteresseerd zijn in het behoud van de clan, zich in te nestelen en te groeien ten koste van de oorspronkelijke clan. Als de meerderheid van de clan beseft dat het aantal opportunisten zo groot is geworden dat ze een bedreiging is gaan vormen voor de sociale cohesie is het al vaak te laat voor een vreedzame oplossing (alleen door stevige concessies te doen en het territorium op te delen kan men nog vreedzaam uit elkaar gaan). De groeiende nieuwe clan bedient zich daarbij, zolang zij klein en zwak is, van een bekend biologisch fenomeen om zo weinig mogelijk op te vallen: behavioural mimicry. De nieuwe clan veinst mee te doen, maar doet dit in feite niet of nauwelijks (in ieder geval te weinig). Dit al dan niet meedoen is meetbaar! Een nieuwe clan die grotendeels assimileert gaat op in de oude clan. Een nieuwe clan die niet assimileert zal vanuit het puur evolutionaire oogpunt niet(!!!!) deel uitmaken van de clan! Niet, not, nein, non, no, njet! Punt! Maar behavioural mimicry is natuurlijk niet alleen aan "vreemde" clans voorbehouden. Het komt ook veelvuldig voor binnen de eigen clan en vermindert zo het succes van deze groep mensen.

De tragiek van de menselijke soort is dat zij vast zit aan alle eigenschappen die de evolutie haar meegegeven heeft. Maar deze eigenschappen staan ons allen niet ten aller tijde zomaar ter beschikking. Ze zijn vaak, zeker als het op gedrag aankomt, slechts latent aanwezig in onze genen (genotype). Vele van deze eigenschappen moeten door elke generatie, door ieder mens geoefend worden (resulterend in gedrags-phenotypes). Alleen die clans die op gezette tijden gedwongen worden hun territorium af te bakenen en te verdedigen zullen voor een lange periode succesvol zijn omdat praktisch alle generaties „weerbaar“ zijn gemaakt. Alle andere clans lopen door een te lang durende vrede uiteindelijk het risico ten onder of tenminste door een diep dal te gaan, omdat zij alleen nog maar bestaan uit een reeks van generaties die slechts altruïsme en socialisme heeft gepraktiseerd.

Dat velen in de "Nederlandse clan" de mond vol hebben van „de open samenleving“ en het bestaan van een Nederlandse identiteit ontkennen, duid erop dat de Nederlandse clan al zover is gekomen dat zij het afbakenen en verdedigen van het territorium aan het opgeven is. Dat klinkt allemaal zeer nobel en vredelievend natuurlijk, maar een open samenleving zonder identiteit heeft op termijn geen overlevingskans zolang er nog steeds clans zijn met een sterke identiteit, die binnen die open samenleving hun eigen territorium afbakenen, steeds uitbreiden, en bereid zijn deze met geweld te verdedigen.

Het overgrote deel van de clan Nederland is niet bereid andere clans te bekritiseren, en als deze geweld gebruiken niet bereid deze clans het vuur aan de schenen te leggen. Tegelijkertijd is zij wel bereid binnen de eigen clan hard tegen rebellen op te treden, en lijkt nu zowaar zelfs bereid hard op te treden tegen de eigen nakomelingen (scholieren) maar niet tegen die van de andere clans. Dit is dus de typisch evolutionair bepaalde reactie van de mens op dreigend gevaar: Eerst orde op zaken stellen in de eigen clan, desnoods met geweld!

Want dat bijvoorbeeld de islam deel zou uitmaken van de Nederlandse clan lijkt niet te kloppen. Het klopt ook niet als je naar de reacties van de clan Nederland kijkt: Als de moslims echt deel uit zouden maken van de Nederlandse clan zouden ze net zoveel harde kritiek te verduren moeten krijgen als de rechtse oppositie. Dan zouden de straatterroristen (verbaal) net zo hard aangepakt worden als de vandalistische scholieren. Dan zou de islam net zoveel kritiek te verduren krijgen als het christen- en jodendom. Dat de clan Nederland zo vriendelijk is voor bepaalde andere clans is omdat ze bang is voor deze clans. En dat ze zo onvriendelijk is voor de eigen rebellen (in dit geval scholieren, rechtse politici, luidruchtige andersdenkenden, etc) omdat ze bang is dat de sociale cohesie in de eigen clan Nederland bedreigd wordt. De clan Nederland is dus niet alleen bang voor andere clans maar ook voor haar eigen rebellen. Maar de uiteindelijke agressie richt zich vaak slechts tegen de rebellen van de eigen clan!

Maar als u nu denkt dat dit allemaal automatisch tot een totale oorlog moet leiden heeft u het mis. De evolutie heeft laten zien dat er verschillende oplossingen zijn. Het is goed mogelijk dat al deze oplossingen uiteindelijk helemaal vanzelf zullen intreden: De clan Nederland valt uit elkaar (de polarisering is in volle gang, de hoeveel groepen en hoe groot deze groepen zullen zijn is moeilijk te voorspellen); clans vergroten en verdedigen hun eigen territoria (zijn bepaalde clans al lang mee bezig); gewapende conflicten tussen clans, gedeeltelijke assimilatie over en weer, etc.

Er kan uiteindelijk een nieuwe agressievere "clan Nederland“ ontstaan die bestaat uit mensen die wel een territorium gaan afbakenen en verdedigen; en als er twee elkaar vijandig gezinde clans bestaan die elkaars territorium betwisten is een gewapend conflict voorgeprogrammeerd.

De evolutie wint altijd want zij heeft alle tijd. Elke politiek, of zij nu links of rechts of anders is heeft een houdbaarheid van slechts enkele generaties, want zij is als een druppel in de oceaan van de tijd en wordt weggespoeld met de eerste de beste nieuwe golf. Alleen een clan Nederland die zich daarvan volledig bewust is en blijft, die onafhankelijk van de heersende politieke stroming de moed heeft zijn territorium af te bakenen en te verdedigen tegen andere clans, en bereid is echt naar zijn rebellen te luisteren en daaruit consequenties te trekken heeft een zekere beperkte eeuwigheidswaarde. Alle andere clans zullen eerder vroeger dan later ten ondergaan.

Ik heb het over een "beperkte eeuwigheidwaarde", want van welk politiek of religieus pluimage dan ook, we zijn eigenlijk toch allemaal maar onthaarde holbewoners in een keiharde wereld. Vroeger kwamen de rebellen vooral van "links", nu komen ze steeds vaker van "rechts", en wie weet uit welke hoek de toekomstige rebellen komen. En we zijn dan wel de meest intelligente soort, maar of we ook de meest succesvolle zijn? Ik denk het niet. Als ook de laatste menselijke clan uitgestorven zal zijn (over een paar miljoen jaar gok ik even) lopen vele insecten inclusief de kakkerlakken waarschijnlijk nog steeds rond. Deze beestjes overleven zelfs de harde straling na atoomexplosies. En wat heet intelligent als je mekaar voortdurend loopt uit te moorden? Maar als elke rechtgeaarde holbewoner ben ook ik zo egoïstisch dat ik vrij wil kunnen leven en dat mijn nakomelingen dit ook zouden moeten kunnen. Ik heb dus geen andere keus dan te kiezen voor de clan die het beste bij me past. En de evolutie (of de schepper zo u wilt) bepaald dan achteraf wel of dit de juiste keuze was.

Geraadpleegde literatuur (oa):

- Human evolutionary genetics, origin, peoples and disease. Jobling, Hurles and Tyler-Smith. 2004 Garland Publishing.

- The Molecule Hunt. Archeology and the search for ancient DNA. Jones. 2001 Penguin books Ltd.

- Evolutionary Biology. Futuyama. 3rd edition. 1998 Sinauer Associates, Inc.

- Evolutionary Analysis. Scott and Freeman. 3rd edition. 2004 Pearson Prentice Hall.

- Evolution. The four Billion Year War. Majerus et al. 1996 Addison Wesley Longman Ltd.

- The Blind Watchmaker. Richard Dawkins. 1986 Penguin Books Ltd.

- Primal leadership. Realizing the Power of Emotional Intelligence. Daniel Goleman et al. 2002 harvard Business School Pres, Boston.

- Die letzten Tage von Europa. Ein Kontinent verändert sein Gesicht. Walter Lacqueur. 2006 Ullstein Buchverlage GmbH, Berlin.