donderdag 9 maart 2017

Het vuile werk opknappen

Ik kreeg een naar gevoel toen ik las wat Mohammed Benzakour op 3 Maart in het NRC schreef:

“Islamvriendelijke verpleging is het minste wat je moslims, die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten, kunt aanbieden.”

Omdat ze hier vroeger hun geld kwamen verdienen moeten we ze op zijn minst islamvriendelijk verplegen. Dus weer een stapje sharia vriendelijker worden. Mijn gevoel blijft steken bij de woorden: “die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten.” Ik heb daar moeite mee. Het past een beetje in de opvatting die je steeds meer gaat horen onder nakomelingen van gastarbeiders. Terwijl autochtone jongeren dit verhaal gewoon mee papegaaien. Die opvatting is dat Turken en Marokkanen hier het land hebben opgebouwd na de oorlog omdat wij het niet wilden doen en anderen het vuile werk lieten opknappen. Mijn ouders, ooms, tantes, buren enz. lagen allemaal op hun luie rug te profiteren van de buitenlanders, zo is het beeld van de allochtone jeugd en als we niet oppassen staat het direct gewoon in de schoolboekjes. Nou ze moesten eens weten, de snotneuzen. Het steekt me. Wat houdt dat nare gevoel verder in? Ik voel me miskent en beledigd. Ik ga verder niet ter verdediging opsommen wat mijn vader en ook ik allemaal deden in die tijd. Ik wil hier alleen een stukje herinnering ophalen van een aantal jaren later toen ik ‘vuil en zwaar werk’ en de eerste gastarbeiders meemaakte.

Ik werkte ooit een tijdje in een looierij, ik hing daar vellen te drogen. Die waren in het stadium dat ze het midden hielden tussen huid en leer, of correcter gezegd ‘leder‘ om de echte looier niet tegen de borst te stuiten. Het moet ergens tussen ’67 en ’70 geweest zijn, misschien nog ietsje later, dat doet er niet zo toe. Er waren in ieder geval al behoorlijk wat gastarbeiders. Dat was jaren eerder begonnen met Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Ook herinner ik me dagelijkse bus transporten met Belgen die in de schoenindustrie kwamen werken. Kennelijk hadden de bazen aan orders geen gebrek. Er was heel veel werk, ze konden het gewoon niet bolwerken eigenlijk. Er zou dus volgens ons ook wel veel verdient worden door die bazen. Maar dat werd niet naar onze tevredenheid omgezet in loonsverhogingen.

Op de looierij waar ik werkte was ook een afdeling waar nog behoorlijk ouderwets gelooid werd. Het stonk daar verschrikkelijk, ondraaglijk gewoon. Niemand wilde daar graag werken natuurlijk. Ik heb me er nooit voor aangemeld maar ik weet wel dat wanneer ze me een paar gulden meer per week betaald zouden hebben ik er wel over na had willen denken. Hoeveel ik toen verdiende weet ik niet meer. Ik herinner me wel goed hoe het loon iedere Vrijdag aan het eind van de middag werd uitbetaald door de afdelingschef. Het zat dan in een klein envelopje met daarbij een lang loonstrookje waarop gegevens over de afgedragen verzekeringen en belastingen.

In die looiputten werkte een aantal niet al te snuggere mensen, anderen konden ze er kennelijk niet voor krijgen. Vooral een van hen viel op. Hij kwam uit een naburig dorp en was ‘te stom om vur d’n duvel te daanse’, zoals dat in ons dialect toen gezegd werd. Hij droeg een bril met hele dikke glazen, ik denk wel bijna een centimeter dik, ongelooflijk vond ik dat. Ik wist niet dat zoiets ook echt bestond.

Af en toe kon ik een blik in de richting van die afdeling werpen of in de pauze een kijkje nemen. Niet met warm weer natuurlijk want dan werd de stank zo mogelijk nog erger. Ik zag dat de directeur/eigenaar van de zaak zich wel eens met die ploeg en met deze jampotbrildrager bemoeide. Hij was een Joodse man van ik denk in zijn 40er 0f 50er jaren. Hij kwam eigenlijk een oogje in het zeil houden omdat de andere leden van die ploeg geneigd waren om misbruik te maken van deze man. Ze lieten hem dan (bij het omkeren van de huiden) langer in de put staan bijvoorbeeld omdat hij toch geen benul had van de tijd. Hij kon namelijk geen klokkijken, en dat had dus tenminste twee oorzaken.

Gastarbeiders

Er waren in die tijd ook Turkse arbeiders gearriveerd in deze fabriek. Na een tijdje kwamen er meer bij, ik geloof dat er 9 Turken werkten toen ik daar was. Dat zal later misschien wel uitgebreid zijn dat weet ik niet. Kennelijk had de directeur hen ook aangenomen om o.a. dit werk te doen. Dit gaf nogal wat consternatie onder ons. Aan de ene kant het gevoel van, ja ik wil dat werk wel doen – maar niet voor dat loon. En aan de andere kant het gevoel van, het is mij wel goed laat hun het maar doen. Als de stomme boeren uit het dorp ‘op zijn’ dan moeten ze maar ergens anders vandaan komen. Als zij het wel willen doen dan doen ze het maar. Kennelijk gaan ze er op vooruit want anders kwamen ze niet. Maar er was ook nog een ander gevoel, nl. een soort van opgelatenheid en schaamte. Nou moesten mensen met een andere kleur, van een ander ras het voor ons opknappen. Ook was er de gedachte van; waarom vinden ze niet iets uit. Ze kunnen wel atoombommen maken en raketten om naar de maan te vliegen waarom moet dit rotwerk nou nog steeds zo gedaan worden. ‘Ze’ dat waren dan de gestudeerden, de elite knappe koppen die bijvoorbeeld zo’n fabriek als deze bezaten.

Afijn de bedoeling was dus dat de Turken ook in de looiput aan de gang zouden gaan. Werken in een gemengde ploeg ging niet want ze spraken nagenoeg geen Nederlands. Het gaf ook onder hun nogal wat consternatie. Althans aan hun lichaamstaal te zien want Turks verstaan was er natuurlijk niet bij. Alle Turken hadden een snor. Alleen een van hen sprak wat Nederlands. Hij trad op als een soort van voorman en had (echt waar) de grootste snor. Ik verstond niet veel van hem in de weinige kleine gesprekjes die ik ooit met hem had. Wat hij me wel duidelijk maakte was dat hij vond dat zij gediscrimineerd werden.

Dat is best wel mogelijk. Er was woningnood bijvoorbeeld en waarschijnlijk zaten zij met z’n allen ergens in een huis te hokken van waaruit ze dan in verschillende ploegendiensten moesten gaan werken. Waarom liet deze directeur deze mensen overkomen uit Turkije, hoe kon het dat dit goedkoper voor hem was? Geen idee, ik ben nooit goed geweest in organisatie, zaken en economie. Overigens zijn dit begrippen die ik nu gewoon gebruik maar waarvan ik me herinner dat ze toen nog maar net deel begonnen uit te maken van mijn begrippenpakket.

Het moment brak natuurlijk aan dat ook de Turken er aan moesten geloven. Ook zij moesten in de stank aan het werk. Dat was toch wat. Zij voelden zich vernederd. Ja wie niet eigenlijk. Maar voor ons, in ieder geval voor mij kwam dat gevoel van opgelatenheid, plaatsvervangende schaamte of wat was het nou eigenlijk, weer naar voren.

Ik moet tussendoor even dit vertellen. Natuurlijk zijn Turken niet zwart, maar bij ons werden mensen met zwarte haren altijd zwart genoemd. Ook mijn vader was ‘ nun zwarte’, want hij had zwart haar. Hadden mensen een donker uiterlijk dan waren dat zwarten. Dat had al eerder wat moeilijkheden gegeven met de Indo’s en de Molukkers die al bijna 10 of 15 jaar in ons midden waren komen wonen. Ineens was iemand zwart noemen fout of op z’n minst zeer bedenkelijk. Voorheen werden woorden als zwartmoor en Turk gewoon gebruikt. Wel in semi-negatieve zin maar niet in racistische zin want er waren eenvoudig geen Turken en Moren. Dit zei je tegen elkaar.

Nou stonden daar ineens Turkse Turken met zwart haar en met zwarte snorren te werken in de stank. Zwarte stinkende Turken. Zij deden nu het werk dat wij voor dat geld niet meer wilden doen. Het gaf een beetje een machteloos gevoel want wat doe je daaraan. Schuif je een klasse verder op dat moet de verlaten klas weer opnieuw aangevuld worden. Maar tekenen van blanke schuld (terecht of niet) begonnen zich toen wel duidelijker kenbaar te maken. Een van de eerste sporen van het boze blanke man syndroom (BBM) zeg maar.

Maar wat zag je nou in die ploeg gebeuren? Eigenlijk precies hetzelfde als bij ons. Ook zij hadden een onderlinge pikorde. Ook zij hadden een stomme Turk onder hen, alleen had hij geen jampotglazen op z’n hoofd. De domste was ook hier de klos. Ik zag die directeur ook hier weer af en toe langs komen om zo goed en kwaad als het ging een oogje in het zeil te houden.

Achteraf heeft het allemaal niet zo lang geduurd voor hen. Het bleek een overgangstijd. De afdeling werd gemoderniseerd. De Turken keerden echter niet huiswaarts zoals de Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Hun gastarbeider schap liep als vanzelf over in emigratie. De gezinnen kwamen over en soms zelfs hun halve dorp. Dit waren mijn eerste contacten met gastarbeiders, met Turken. Hun moslim zijn was toen niet aan de orde we merkten daar althans niets van, dat kwam pas nadat er meer overkwamen en hun families en gezinnen meegebracht werden. Met andere woorden, toen de immigratie begon.

Werkstudent

Er was nog een andere ervaring op die fabriek die ik wil beschrijven. Ik heb dat altijd moeilijk kunnen benoemen maar misschien lukt het me op papier beter. Papier is geduldig ik kan stoppen en strepen enz. In de zomer kwamen er werkstudenten. Ik herinner me een gesprek met een student die me vertelde dat hij bewondering had voor ons dat we hier werkten, dat we zo konden leven. Hij zou dit niet kunnen zei hij. Hij was het nu na twee weken al helemaal zat en hij moest nu nog twee weken langer. Ik stond er naar te luisteren en ja te knikken en een beetje m’n schouders op te halen. Ik wist niet wat ik er van moest denken of wat ik moest zeggen. De student vervolgde met te zeggen dat hij de arbeiders nu beter begreep. Hij had in ieder geval geleerd de arbeiders te respecteren. Dat was nou iets wat wel bleef staan in mijn gevoel en herinnering. Het heeft wel lang geduurd voor ik me bewust werd wat dat nou eigenlijk was en wat het betekende.

Het was de realisatie dat die student me helemaal niet begreep, me ook helemaal niet zou kunnen begrijpen. Vier weken arbeiderswerk doen geeft natuurlijk best wel een ervaring en informatie over het werk en hoe dat moet zijn. Maar de staat waarin ik me bevond daar kwam ik zelf pas achter toen ik er uit ging groeien. Als arbeiderskind opgegroeid, in mijn zoveelste baantje en in een onbewuste staat van vanzelfsprekendheid dat dit tot mijn 65ste zou doorgaan. Een soort van zelfverdoving waarin je dan bent. Dat is niet iets wat je dan kunt ervaren, proeven of begrijpen als kind uit een ander soort gezin of als student, en uit een ander soort milieu.

Er waren mensen die op zo’n punt dan zeiden; maar dit wil ik niet meer, ik werk me er uit. Die zagen het licht en kregen een vuur in zich. Zo zijn verschillende arbeidersfamilies na een aantal generaties hogerop gekomen. Die wakkerheid en die opstandige ondernemendheid, die had ik niet in me. Ik ben er wel uitgekomen maar niet omdat ik dat op die manier plande. Ik bleef in een soort staat van; ‘je bent maar een arbeider'. Ondanks dat dat een veelgehoorde opvatting was waartegen door iedereen en ook door mij geageerd werd was ik me persoonlijk niet van de portee ervan bewust.

Het was een soort onbewuste energetische conditionering van wie ik was en hoe ik leefde. Door en voor de industrie gemaakt zijn, ontstaan zijn, eigenlijk gefokt zijn zelfs. Hoewel niemand dat ooit bewust van plan is geweest, dat neem ik tenminste aan. De betekenis van de woorden prul, proleet, proletariër en klootjesvolk ging ik pas later begrijpen. Als student kan je dat misschien theoretisch volgen maar dat ga je in vier weken vakantiewerk niet echt begrijpen.

Ik kwam hieruit omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Én natuurlijk omdat ook ik liever niet in de fabriek stond. Maar om me op te werken, me uit het arbeidersmilieu te verheffen is nooit in me opgekomen. Ik ging wel heel andere dingen doen, althans voor een arbeiderskind, deels uit een innerlijke drang en deels uit zwakte. Ondanks dat ik uit het arbeidersmilieu kom voel ik me daar niet helemaal meer thuis, en soms moet ik zeggen, helemaal niet. Ik mis dan wat.

Immigranten en emigranten

Als ik nu achteraf aan die ervaringen op die fabriek terugdenk komen er weer heel andere dingen naar boven. Bijvoorbeeld die Joodse directeur. Misschien was hij een socialist, ik weet het niet, hij was wel een sociaal mens. Het binnenhalen van goedkopere Turkse arbeiders echter lijkt meer op VVD en ondernemers gedrag. Misschien moest hij wel, hij zal ook hebben moeten concurreren neem ik aan. Nu 40 jaar later, heeft de immigratiegolf een dusdanig karakter aangenomen dat zijn kleinkinderen moeten emigreren naar Israël vanwege de kleinkinderen van de arbeiders die hij indertijd hier binnenhaalde.

Ik zie in hoe moeilijk het is om elkaar te begrijpen. Die student en ik bijvoorbeeld, een wereld van verschil, ik begreep pas later hoe weinig we elkaar begrepen. Ik begrijp nu die situatie van 45 jaar terug wel beter. Maar zou ik de studenten van nu begrijpen die tenslotte toch behoren dan tot mijn eigen cultuur groep? Kan ik begrip hebben voor Turken, Marokkanen, hun kinderen en kleinkinderen? Benzakoer wil dat we hen tenminste een Islamvriendelijke verpleging geven OMDAT ze het vuile werk opknapten. Ik begrijp dat ze dat verlangen en ik wens die oude gastarbeiders een reis naar hun thuislanden met daar een Islamitische verpleging toe. Maar ik wil geen enkele sharia vriendelijkheid in dit land. Na 45 jaar zie ik nog precies dezelfde gevoelens en houdingen: Bij hen die speciale eisen en dat afpersen met argumenten die vooral lijken voort te komen uit het gevoel van vernedering, die te maken hebben met hun eer en gekwetste trots. In dit voorbeeld hebben ze anderhalf á twee jaar in de looiput gestaan, Nederlanders anderhalf á twee eeuwen. Aan de andere kant zie ik het Nederlandse gevoel van schaamte, opgelatenheid, schuld, onthand zijn met de situatie en alsmaar het goede bedoelen en willen doen. Schuld voelen vooral, dat zit hardnekkig en diep.

Dit artikel verscheen op 1 Juli 2017 ook op de site VerenOfLood. http://verenoflood.nu/het-vuile-werk-opknappen/