vrijdag 16 juni 2017

De Islam roosteren, yoga voor molims.

De filosoof Ramadan verkondigde na een discussie met Ayaan Hirsi Ali al vingerwapperend dat essentialisme een racistische daad zou zijn. Daaruit begreep ik dat de erkenning van en de kritische analyse op de essentiële bronnen van de Islam uit den boze is en verboden zou moeten worden. Immers, racisme is ook verboden.

Je zou kunnen zeggen dat essentialisme nog een stap verder gaat dan wat we zeggen met: ‘aan de vruchten kent men de boom’. Die volgende stap gaat over de vraag, waar komt die boom vandaan. Die komt uit het zaad. Het zaad van de Islam is de Koran samen met de woorden, daden en levenswandel van Mohammed. In het meer verre (dan het islamitische) oosten zijn filosofische richtingen die bepleiten dat men het zaad van een verschijnsel bewust moet worden om het te begrijpen en indien nodig op te lossen. De doorgaande cyclus van zaad – boom – vrucht - zaad- boom vrucht enz. enz. noemt men karma. Hoe bevrijdt men zich van karma? Door het zaad van karma onschadelijk te maken.

Hoe wordt volgens de yogi’s het zaad van karma onschadelijk gemaakt? Dat wordt duidelijk gemaakt met een gelijkenis. Men roostert het zaad, geroosterd zaad zal niets meer voortbrengen. Simpel, je neemt het zaad, doet het in een pan, zet dat op het vuur en roosteren maar. Maar dat is de gelijkenis. Wat wordt daar in de yogapraktijk nou mee bedoeld. Het zaad van je karma is je diepere overtuiging, je opvatting over de dingen en zaken, het leven, de werkelijkheid. Die overtuiging, dat zaad bak je in de pan van je aandacht, die verhit wordt met het vuur van inzicht en bewustzijn dat in die meditatieve praktijk ontstaat. In de yoga is dit een heel persoonlijk bewustwordingsproces. Maar we kunnen dit van het persoonlijke niveau natuurlijk overzetten naar politieke, culturele en maatschappelijke systemen. Bijvoorbeeld analyseren we al heel kritisch het kapitalisme, socialisme, christendom, jodendom, de westerse cultuur enz. Wat is dan het zaad? Dat zijn dan de leringen, de dogma’s, de waarden, normen en uitgangspunten, de vooronderstellingen enz. die we vaak onbewust in ons dragen en door welks bril we de realiteit zien. Of juist niet goed zien natuurlijk.

Wanneer we bevrijding van de problematische Islam nastreven moeten we dus het zaad van de islam, de essentie van de Islam onschadelijk maken door het in ons bewustzijn te roosteren. Nou ja, we? Als niet moslim moet ik toch zeggen, ze. Namelijk de moslims, zij zijn de dragers van dat karma.

In onderstaand filmpje zien we Hamed Abdel-Samad het zaad van de Islam roosteren. Het mooie is; hij heeft het helemaal niet van de yogi's geleerd. Hij heeft het helemaal van zichzelf. Het geeft hoop en moed om te zien dat vrijheid van denken en streven naar bewustwording overal de kop op kan steken, ook in de Islam. Wij kunnen er verwelkomend en ondersteunend naar kijken en helpen waar het nodig is en kan. Zo is dit stukje ook bedoeld. laten zien dat het een universeel principe is om naar bevrijding te streven en om vrij te denken. Overigens, over denken gesproken, dus heel wat anders dan wat DENK in Nl. ons voor lijkt te willen schotelen.

Klik hier voor het filmpje.

zondag 14 mei 2017

Caritas en de goedzakkendruk

Een zekere Dr. Wim Klever zei:

“Caritas aan niet-naasten is bedenkelijk. Zij zijn waardeloos (voor ons). Met hulp vermeerderen we onze vijanden en benadelen we onszelf.”

Daar valt wel het een en ander tegenin te brengen, bijvoorbeeld vinden velen dat er geen niet-naasten zijn omdat we allemaal mensen zijn en allemaal in hetzelfde schuitje (de hele aarde) zitten. Zo verdeel je de mensheid in wij en zij, dat is uitsluiting enz. enz.

‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’, is de titel van een soort van nieuw volkslied voor degenen die zich wereldburgers voelen en zichzelf tot wereldburgers verklaard hebben. Ondertussen tellen we op dit schuitje (de aarde) ongeveer zeven miljard naasten. Als je dat te veel vindt dan ben je een egoïst op z’n minst en moet je aan je invoelingsvermogen werken of misschien kom je er vanaf met het predicaat; xenofoob. Dat invoelingsvermogen laten groeien gaat vaak van start na de opmerking: ‘wat als jij in die positie verkeerde’? Of; ‘en als jij daar nou een geboren was’? Als je reageert met de opmerking; ‘als mijn tante ballen had was ‘t mijn oom’, dan ben je zwaar de pisang en dat voel je dan misschien weer wel aan. Daarom zeg je dat niet en verdraag je de druk van de goedzakkenfilosofie.

Op mijn Franse les van deze week vertaalden we een lied; ‘Les restos du coeur’, de restaurants van het hart. Dit lied heet al jaren (l’Hymne des enfoirés) het volkslied van de behoeftige arme drommels te zijn. Het wordt gezongen aan het begin en einde van liefdadigheidsconcerten om geld op te halen voor voedselbanken. In dat lied komt deze zin voor: “Als wij aan jullie denken is dat eigenlijk egoïsme, morgen maken onze namen die lijst misschien nog groter”. (Si nous pensons á vous c’est en fait égoïste, demain nos noms peut-être grossiront la liste.) Deze gedachtegang kennen we wel, het is het zogenoemde ‘welbegrepen eigenbelang’ om andere mensen te helpen. Help de ander want je kan ook in die positie komen. Of, erken je kwetsbare positie ook al heb je op dit moment geluk, wees solidair. De stelling van Dr. Wim Klever lijkt diametraal tegenover de idealen van dit Franse lied en de goede bedoelingen van de meerderheid van ons te staan. Het lijkt egoïsme tegenover altruïsme, liefdadigheid, solidariteit en eenheidsdenken.

Maar is dat wel zo. Naar mijn mening zijn het twee kanten van eenzelfde soort van denken waarin inderdaad wel twee tegengestelde praktische posities ingenomen worden. Maar in beide gevallen is er ego en eigenbelang in het spel, bij de een open en bloot naar buiten gebracht en bij de ander verborgen in een samenwerken tegen ongeluk en armoede. Net zoals we dat kennen van gastvrijheid met de onuitgesproken afspraak dat de gastheer bij jou op dezelfde manier gast zal kunnen zijn. Kan dat niet dan zal je dat merken, dan krijg je een veroordeling of ‘je hoort er niet (meer) bij’. Eigenlijk is het ruilhandel. Op zich allemaal heel menselijk. We moeten ons niet verbeelden dat het meer is dan ego en sociaal overlevingsinstinct, dat het liefde zou zijn, liefde dat boven dat alles zou uitstijgen. Liefde is geven om te geven. Niet omdat het moet, niet omdat er (bewust of onbewust) een ideaal of principe of gebod een rol speelt. Op die manier wordt er maar weinig gegeven denk ik. Maar aan de andere kant, of het nou uit zuivere of uit onzuivere motieven is, in de praktijk helpt iedere hulp. Dus waarom dit gefilosofeer zou u tegen mij kunnen zeggen maar doet u dat een andere keer.

Als het om de praktische uitwerking gaat, om het concrete effect van de hulp dan zou die gedachte van Wim Klever niet van de hand gewezen moeten worden als egoïstisch. Er zit heel veel waars in die stelling. Daarop doordenkend; hoeveel arme en ellendige levens zijn er in bijv. Afrika in gang gezet door levensreddende hulpprogramma’s voor baby’s. Hoeveel doden zijn er gevallen in de middellandse zee door de lokkende hulpprogramma’s van Europa. Dus wanneer het om het praktische reddende effect gaat wees dan ook praktisch en laat je niet leiden door emoties die je aan jezelf en anderen als liefde verkoopt. Werkelijke liefde zou een overlap met wijsheid hebben vermoed ik. Maar ook al bezit een mens liefde mét wijsheid toch zal ook die voor de situatie kunnen komen te staan om uit twee slechten de minst slechte te kiezen. Met alleen maar levensreddende emoties zal dat niet lukken lijkt me want dan willen we emotioneel en blind alles en iedereen redden waardoor tenslotte de reddingsboot zal zinken. De in de steek gelaten landen en culturen blijven dan ook qua bevolking berooid achter en de hele wereld is dan de derde wereld of erger.

Groot respect voor Paul collier, een man die durft te denken en niet in emoties blijft hangen. Lees alhier.

donderdag 9 maart 2017

Het vuile werk opknappen

Ik kreeg een naar gevoel toen ik las wat Mohammed Benzakour op 3 Maart in het NRC schreef:

“Islamvriendelijke verpleging is het minste wat je moslims, die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten, kunt aanbieden.”

Omdat ze hier vroeger hun geld kwamen verdienen moeten we ze op zijn minst islamvriendelijk verplegen. Dus weer een stapje sharia vriendelijker worden. Mijn gevoel blijft steken bij de woorden: “die hier vroeger de vuilste en zwaarste klusjes opknapten.” Ik heb daar moeite mee. Het past een beetje in de opvatting die je steeds meer gaat horen onder nakomelingen van gastarbeiders. Terwijl autochtone jongeren dit verhaal gewoon mee papegaaien. Die opvatting is dat Turken en Marokkanen hier het land hebben opgebouwd na de oorlog omdat wij het niet wilden doen en anderen het vuile werk lieten opknappen. Mijn ouders, ooms, tantes, buren enz. lagen allemaal op hun luie rug te profiteren van de buitenlanders, zo is het beeld van de allochtone jeugd en als we niet oppassen staat het direct gewoon in de schoolboekjes. Nou ze moesten eens weten, de snotneuzen. Het steekt me. Wat houdt dat nare gevoel verder in? Ik voel me miskent en beledigd. Ik ga verder niet ter verdediging opsommen wat mijn vader en ook ik allemaal deden in die tijd. Ik wil hier alleen een stukje herinnering ophalen van een aantal jaren later toen ik ‘vuil en zwaar werk’ en de eerste gastarbeiders meemaakte.

Ik werkte ooit een tijdje in een looierij, ik hing daar vellen te drogen. Die waren in het stadium dat ze het midden hielden tussen huid en leer, of correcter gezegd ‘leder‘ om de echte looier niet tegen de borst te stuiten. Het moet ergens tussen ’67 en ’70 geweest zijn, misschien nog ietsje later, dat doet er niet zo toe. Er waren in ieder geval al behoorlijk wat gastarbeiders. Dat was jaren eerder begonnen met Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Ook herinner ik me dagelijkse bus transporten met Belgen die in de schoenindustrie kwamen werken. Kennelijk hadden de bazen aan orders geen gebrek. Er was heel veel werk, ze konden het gewoon niet bolwerken eigenlijk. Er zou dus volgens ons ook wel veel verdient worden door die bazen. Maar dat werd niet naar onze tevredenheid omgezet in loonsverhogingen.

Op de looierij waar ik werkte was ook een afdeling waar nog behoorlijk ouderwets gelooid werd. Het stonk daar verschrikkelijk, ondraaglijk gewoon. Niemand wilde daar graag werken natuurlijk. Ik heb me er nooit voor aangemeld maar ik weet wel dat wanneer ze me een paar gulden meer per week betaald zouden hebben ik er wel over na had willen denken. Hoeveel ik toen verdiende weet ik niet meer. Ik herinner me wel goed hoe het loon iedere Vrijdag aan het eind van de middag werd uitbetaald door de afdelingschef. Het zat dan in een klein envelopje met daarbij een lang loonstrookje waarop gegevens over de afgedragen verzekeringen en belastingen.

In die looiputten werkte een aantal niet al te snuggere mensen, anderen konden ze er kennelijk niet voor krijgen. Vooral een van hen viel op. Hij kwam uit een naburig dorp en was ‘te stom om vur d’n duvel te daanse’, zoals dat in ons dialect toen gezegd werd. Hij droeg een bril met hele dikke glazen, ik denk wel bijna een centimeter dik, ongelooflijk vond ik dat. Ik wist niet dat zoiets ook echt bestond.

Af en toe kon ik een blik in de richting van die afdeling werpen of in de pauze een kijkje nemen. Niet met warm weer natuurlijk want dan werd de stank zo mogelijk nog erger. Ik zag dat de directeur/eigenaar van de zaak zich wel eens met die ploeg en met deze jampotbrildrager bemoeide. Hij was een Joodse man van ik denk in zijn 40er 0f 50er jaren. Hij kwam eigenlijk een oogje in het zeil houden omdat de andere leden van die ploeg geneigd waren om misbruik te maken van deze man. Ze lieten hem dan (bij het omkeren van de huiden) langer in de put staan bijvoorbeeld omdat hij toch geen benul had van de tijd. Hij kon namelijk geen klokkijken, en dat had dus tenminste twee oorzaken.

Gastarbeiders

Er waren in die tijd ook Turkse arbeiders gearriveerd in deze fabriek. Na een tijdje kwamen er meer bij, ik geloof dat er 9 Turken werkten toen ik daar was. Dat zal later misschien wel uitgebreid zijn dat weet ik niet. Kennelijk had de directeur hen ook aangenomen om o.a. dit werk te doen. Dit gaf nogal wat consternatie onder ons. Aan de ene kant het gevoel van, ja ik wil dat werk wel doen – maar niet voor dat loon. En aan de andere kant het gevoel van, het is mij wel goed laat hun het maar doen. Als de stomme boeren uit het dorp ‘op zijn’ dan moeten ze maar ergens anders vandaan komen. Als zij het wel willen doen dan doen ze het maar. Kennelijk gaan ze er op vooruit want anders kwamen ze niet. Maar er was ook nog een ander gevoel, nl. een soort van opgelatenheid en schaamte. Nou moesten mensen met een andere kleur, van een ander ras het voor ons opknappen. Ook was er de gedachte van; waarom vinden ze niet iets uit. Ze kunnen wel atoombommen maken en raketten om naar de maan te vliegen waarom moet dit rotwerk nou nog steeds zo gedaan worden. ‘Ze’ dat waren dan de gestudeerden, de elite knappe koppen die bijvoorbeeld zo’n fabriek als deze bezaten.

Afijn de bedoeling was dus dat de Turken ook in de looiput aan de gang zouden gaan. Werken in een gemengde ploeg ging niet want ze spraken nagenoeg geen Nederlands. Het gaf ook onder hun nogal wat consternatie. Althans aan hun lichaamstaal te zien want Turks verstaan was er natuurlijk niet bij. Alle Turken hadden een snor. Alleen een van hen sprak wat Nederlands. Hij trad op als een soort van voorman en had (echt waar) de grootste snor. Ik verstond niet veel van hem in de weinige kleine gesprekjes die ik ooit met hem had. Wat hij me wel duidelijk maakte was dat hij vond dat zij gediscrimineerd werden.

Dat is best wel mogelijk. Er was woningnood bijvoorbeeld en waarschijnlijk zaten zij met z’n allen ergens in een huis te hokken van waaruit ze dan in verschillende ploegendiensten moesten gaan werken. Waarom liet deze directeur deze mensen overkomen uit Turkije, hoe kon het dat dit goedkoper voor hem was? Geen idee, ik ben nooit goed geweest in organisatie, zaken en economie. Overigens zijn dit begrippen die ik nu gewoon gebruik maar waarvan ik me herinner dat ze toen nog maar net deel begonnen uit te maken van mijn begrippenpakket.

Het moment brak natuurlijk aan dat ook de Turken er aan moesten geloven. Ook zij moesten in de stank aan het werk. Dat was toch wat. Zij voelden zich vernederd. Ja wie niet eigenlijk. Maar voor ons, in ieder geval voor mij kwam dat gevoel van opgelatenheid, plaatsvervangende schaamte of wat was het nou eigenlijk, weer naar voren.

Ik moet tussendoor even dit vertellen. Natuurlijk zijn Turken niet zwart, maar bij ons werden mensen met zwarte haren altijd zwart genoemd. Ook mijn vader was ‘ nun zwarte’, want hij had zwart haar. Hadden mensen een donker uiterlijk dan waren dat zwarten. Dat had al eerder wat moeilijkheden gegeven met de Indo’s en de Molukkers die al bijna 10 of 15 jaar in ons midden waren komen wonen. Ineens was iemand zwart noemen fout of op z’n minst zeer bedenkelijk. Voorheen werden woorden als zwartmoor en Turk gewoon gebruikt. Wel in semi-negatieve zin maar niet in racistische zin want er waren eenvoudig geen Turken en Moren. Dit zei je tegen elkaar.

Nou stonden daar ineens Turkse Turken met zwart haar en met zwarte snorren te werken in de stank. Zwarte stinkende Turken. Zij deden nu het werk dat wij voor dat geld niet meer wilden doen. Het gaf een beetje een machteloos gevoel want wat doe je daaraan. Schuif je een klasse verder op dat moet de verlaten klas weer opnieuw aangevuld worden. Maar tekenen van blanke schuld (terecht of niet) begonnen zich toen wel duidelijker kenbaar te maken. Een van de eerste sporen van het boze blanke man syndroom (BBM) zeg maar.

Maar wat zag je nou in die ploeg gebeuren? Eigenlijk precies hetzelfde als bij ons. Ook zij hadden een onderlinge pikorde. Ook zij hadden een stomme Turk onder hen, alleen had hij geen jampotglazen op z’n hoofd. De domste was ook hier de klos. Ik zag die directeur ook hier weer af en toe langs komen om zo goed en kwaad als het ging een oogje in het zeil te houden.

Achteraf heeft het allemaal niet zo lang geduurd voor hen. Het bleek een overgangstijd. De afdeling werd gemoderniseerd. De Turken keerden echter niet huiswaarts zoals de Joegoslaven, Italianen en Spanjaarden. Hun gastarbeider schap liep als vanzelf over in emigratie. De gezinnen kwamen over en soms zelfs hun halve dorp. Dit waren mijn eerste contacten met gastarbeiders, met Turken. Hun moslim zijn was toen niet aan de orde we merkten daar althans niets van, dat kwam pas nadat er meer overkwamen en hun families en gezinnen meegebracht werden. Met andere woorden, toen de immigratie begon.

Werkstudent

Er was nog een andere ervaring op die fabriek die ik wil beschrijven. Ik heb dat altijd moeilijk kunnen benoemen maar misschien lukt het me op papier beter. Papier is geduldig ik kan stoppen en strepen enz. In de zomer kwamen er werkstudenten. Ik herinner me een gesprek met een student die me vertelde dat hij bewondering had voor ons dat we hier werkten, dat we zo konden leven. Hij zou dit niet kunnen zei hij. Hij was het nu na twee weken al helemaal zat en hij moest nu nog twee weken langer. Ik stond er naar te luisteren en ja te knikken en een beetje m’n schouders op te halen. Ik wist niet wat ik er van moest denken of wat ik moest zeggen. De student vervolgde met te zeggen dat hij de arbeiders nu beter begreep. Hij had in ieder geval geleerd de arbeiders te respecteren. Dat was nou iets wat wel bleef staan in mijn gevoel en herinnering. Het heeft wel lang geduurd voor ik me bewust werd wat dat nou eigenlijk was en wat het betekende.

Het was de realisatie dat die student me helemaal niet begreep, me ook helemaal niet zou kunnen begrijpen. Vier weken arbeiderswerk doen geeft natuurlijk best wel een ervaring en informatie over het werk en hoe dat moet zijn. Maar de staat waarin ik me bevond daar kwam ik zelf pas achter toen ik er uit ging groeien. Als arbeiderskind opgegroeid, in mijn zoveelste baantje en in een onbewuste staat van vanzelfsprekendheid dat dit tot mijn 65ste zou doorgaan. Een soort van zelfverdoving waarin je dan bent. Dat is niet iets wat je dan kunt ervaren, proeven of begrijpen als kind uit een ander soort gezin of als student, en uit een ander soort milieu.

Er waren mensen die op zo’n punt dan zeiden; maar dit wil ik niet meer, ik werk me er uit. Die zagen het licht en kregen een vuur in zich. Zo zijn verschillende arbeidersfamilies na een aantal generaties hogerop gekomen. Die wakkerheid en die opstandige ondernemendheid, die had ik niet in me. Ik ben er wel uitgekomen maar niet omdat ik dat op die manier plande. Ik bleef in een soort staat van; ‘je bent maar een arbeider'. Ondanks dat dat een veelgehoorde opvatting was waartegen door iedereen en ook door mij geageerd werd was ik me persoonlijk niet van de portee ervan bewust.

Het was een soort onbewuste energetische conditionering van wie ik was en hoe ik leefde. Door en voor de industrie gemaakt zijn, ontstaan zijn, eigenlijk gefokt zijn zelfs. Hoewel niemand dat ooit bewust van plan is geweest, dat neem ik tenminste aan. De betekenis van de woorden prul, proleet, proletariër en klootjesvolk ging ik pas later begrijpen. Als student kan je dat misschien theoretisch volgen maar dat ga je in vier weken vakantiewerk niet echt begrijpen.

Ik kwam hieruit omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Én natuurlijk omdat ook ik liever niet in de fabriek stond. Maar om me op te werken, me uit het arbeidersmilieu te verheffen is nooit in me opgekomen. Ik ging wel heel andere dingen doen, althans voor een arbeiderskind, deels uit een innerlijke drang en deels uit zwakte. Ondanks dat ik uit het arbeidersmilieu kom voel ik me daar niet helemaal meer thuis, en soms moet ik zeggen, helemaal niet. Ik mis dan wat.

Immigranten en emigranten

Als ik nu achteraf aan die ervaringen op die fabriek terugdenk komen er weer heel andere dingen naar boven. Bijvoorbeeld die Joodse directeur. Misschien was hij een socialist, ik weet het niet, hij was wel een sociaal mens. Het binnenhalen van goedkopere Turkse arbeiders echter lijkt meer op VVD en ondernemers gedrag. Misschien moest hij wel, hij zal ook hebben moeten concurreren neem ik aan. Nu 40 jaar later, heeft de immigratiegolf een dusdanig karakter aangenomen dat zijn kleinkinderen moeten emigreren naar Israël vanwege de kleinkinderen van de arbeiders die hij indertijd hier binnenhaalde.

Ik zie in hoe moeilijk het is om elkaar te begrijpen. Die student en ik bijvoorbeeld, een wereld van verschil, ik begreep pas later hoe weinig we elkaar begrepen. Ik begrijp nu die situatie van 45 jaar terug wel beter. Maar zou ik de studenten van nu begrijpen die tenslotte toch behoren dan tot mijn eigen cultuur groep? Kan ik begrip hebben voor Turken, Marokkanen, hun kinderen en kleinkinderen? Benzakoer wil dat we hen tenminste een Islamvriendelijke verpleging geven OMDAT ze het vuile werk opknapten. Ik begrijp dat ze dat verlangen en ik wens die oude gastarbeiders een reis naar hun thuislanden met daar een Islamitische verpleging toe. Maar ik wil geen enkele sharia vriendelijkheid in dit land. Na 45 jaar zie ik nog precies dezelfde gevoelens en houdingen: Bij hen die speciale eisen en dat afpersen met argumenten die vooral lijken voort te komen uit het gevoel van vernedering, die te maken hebben met hun eer en gekwetste trots. In dit voorbeeld hebben ze anderhalf á twee jaar in de looiput gestaan, Nederlanders anderhalf á twee eeuwen. Aan de andere kant zie ik het Nederlandse gevoel van schaamte, opgelatenheid, schuld, onthand zijn met de situatie en alsmaar het goede bedoelen en willen doen. Schuld voelen vooral, dat zit hardnekkig en diep.