maandag 29 juli 2013

Hans Teeuwen

Gisteravond gekeken naar Zomergasten waar Hans Teeuwen werd geïnterviewd door Wilfried de Jong.

Vanmorgen een mail van een vriend.

“Als ik Hans Teeuwen psychologisch moet duiden, dan zit hij nog vast in zijn agressie, gelegen in het sterven aan het mes van zijn filmvriend Theo van Goch. Loslaten Hans. Van Cabaret heb je meer verstand. Het maar daarbij houden. Een fan.”

Hieronder mijn reactie.

Tja, psychologisch duiden. Ik duid best graag. Gaat een beetje vanzelf. Maar ik weet wel dat een duiding ook maar een duiding is en dat ik met die duiding maar een klein stukje bestrijk van de werkelijkheid. Maar reagerend op jouw duiding; hij zal best vastzitten in zijn agressie, en god weet in wat nog meer zou ik er aan toevoegen. En of die agressie voornamelijk veroorzaakt is door de moord op zijn vriend is voor mij de vraag. Wel een goed onderwerp natuurlijk om je(zijn) agressie op te ontladen. (op de moordenaar dus, en vooral op zijn inspiratiebron, mohammed en diens leer)

Als ik hem zou duiden vind ik dat niet het belangrijkste dat ik aan hem opmerk. Ik merk bij hem altijd een spanning, bij mezelf bedoel ik. Op mijn hoede, wat gaat ie me flikken. Hij heeft macht, hij is sterker dan ik, hij verrast me, zet me voor paal, schokt me, daagt me uit, ik voel me onveilig. Hij is snel en gevat, heeft al zijn agressie direct verbonden met zijn spraakvermogen en intelligentie. Dat is wat ik het meest typerend aan hem vind, altijd in controle over alles en iedereen om hem heen, iedereen behoorlijk bang van binnen maar ondertussen heel erg om hem lachen wat voor een groot deel als een verdediging werkt om uit die 'one down' positie onder hem vandaan te komen/te blijven.

Dit aspect van hem weerspiegelt iets van de cultuur van de moordenaar van zijn vriend. Daar ook die machtspositie waar anderen zich naar voegen: meedoen, aardig zijn, niet kwetsen, 'on speaking terms' blijven maar daaronder de angst. Dat geeft een gedrag van onderwerping, van je terugtrekken uit- of vermijden van een mogelijke confrontatie met de meer machtige. Een braaf gedrag eigenlijk.

In dit geval kan je spreken van dhimmitude. Een term die de onderwerping aan een moslimmeerderheid of moslimdominantie inhoudt. Men neemt een onderdanige houding aan en onthoudt zich van kritiek op de Islam. In weer een andere vorm kennen we dit gegeven als het zgn. stockholm syndroom, vriendjes worden met je bedreiger of onderdrukker om er nog zo goed mogelijk vanaf te komen, om het heel simpel uit te leggen. Door de intrinsieke geweldsdreiging in hun Islam hoeven moslims helemaal niet in de meerderheid te zijn.

Hans Teeuwen was zo eerlijk om toe te geven dat hij bang is om vermoord te worden. Opvallend vind ik dat in de maatschappelijke discussie de bange mensen, dus de eigenlijke dhimmies, de Islamcritici islamofobisch noemen. Dus de critici, de bezorgden worden ziekelijk/irrationeel angstig voor de islam genoemd door de main stream media de msm,door de grotere meerderheid, de politiek correcten. Volgens mij zijn zijzelf de angstigen maar ervaren dat niet zo omdat ze het projecteren op de anderen - op de islamcritici. Ze zien daar verschijnen wat ze in zichzelf onbewust houden door onderdrukking.

Teeuwen zit niet in dit ontkenning en projectie patroon. Hij gaf aan dat het hem eigenlijk speet dat hij niet de moed had als die van Pat Condell. Nam zelfs het woordje laf in de mond over zichzelf als ik het me goed herinner. Als een kwispelende golden retriever sprak hij zelfs met iets vragends in zijn stem zijn hoop uit dat hij veilig zou zijn na dit interview.

Dus ik zou eerder zeggen, hij zit vast in zijn angst voor de moordenaars van zijn vriend. Dat zal bij hem van binnen best agressie oproepen net zoals bij Condell bijvoorbeeld. Maar hij durft het niet om te zetten in zijn cabaret. Is dit een staaltje van: de brutalen hebben de halve wereld? (Ik bedoel nu de mohammedanen.) Misschien. In ieder geval toont het een groot verschil aan tussen de islamitische cultuur en de westerse cultuur. Namelijk, het willen sterven voor datgene waar je voor leeft. Daar legt de westerling het af tegen de mohammedaan. Dat is wat ik gisteravond zag, bij een westerse man met notabene ongeveer de grootste bek van Nederland.

zaterdag 20 juli 2013

Het duister de slang en de vrouw.


"Du Dunkelheit aus wir ich stamme"



De lezer zal waarschijnlijk opmerken dat dit opstel in een context lijkt te staan. Dat klopt. Soms wordt gerefereerd aan eerdere teksten. Jaren geleden had ik het plan om een cursus over spiritualiteit en therapie op te zetten. Het is er niet van gekomen. De stukken die ik er voor schreef kwam ik onlangs weer tegen. Ik heb dit deel ervan slechts gedeeltelijk bewerkt. Met deze voorwetenschap lijkt het me geen probleem voor de lezer om deze tekst tot zich te nemen.

In de teksten over spirituele grondbeginselen kwamen begrippen als ‘de eeuwige moeder’, de duisternis en oersubstantie als grondslag voor stof of materie aan de orde. We zagen dat ‘het ene’ zich toont aan het oog van de ziener (en zieneres natuurlijk) in facetten. Deze zieners beschrijven ‘het ene dat niets is’ (een term die Blavatsky leende van Basilides) als goddelijkheid, als pure intelligentie, als oersubstantie en als eeuwig leven en beweging. Andere ervaringen ervan zijn; bovenmenselijke goedheid, liefde, gelukzaligheid, schoonheid, hemelse muziek, bloei, wording, creatie, de harmonie, orde en goedheid van al het bestaande enz.

We bespraken dat duisternis vooraf gaat aan licht zoals nul vooraf gaat aan een. Deze tekst spitsen we toe op het facet van duisternis, het beginsel van oersubstantie, van uitgebreidheid, van ruimte, van stof, van aarde, van materie. Het derde facet, dat van levende beweging laten we hier grotendeels rusten. Niet-mystici, zoals wij allen zijn, ervaren een dualiteit tussen materie en bewustzijn. We kunnen wel hun eenheid inzien maar daarmee is het nog geen levende ervaring. In onze menselijke dualiteit stellen we duisternis gelijk aan materie en intelligentie of bewustzijn aan licht. Moeder is de duistere materie (Materia Prima), Vader is het licht gesymboliseerd door de zon. Het lijkt een kwestie van cultuur om ‘het ene’ dat aan alles vooraf gaat, in het ene geval als licht en in het andere als duisternis te beschrijven. In de Joodse mystiek is het licht het allerhoogste; ‘Zohar’. Dit betekent, het glanzende of het licht. Hoewel het eerder genoemde Ain Sof de eindeloze bron van licht wordt genoemd, wordt toch het licht als het allerhoogste en als leidraad van de cultuur genomen. In de Zohar en de Kaballa is de wordingsgeschiedenis, het ontstaan van de wereld een steeds meer duistere verwijdering van het licht vandaan. Daaruit volgt dan de weg van de mens terug uit het duister naar het licht. Hier ligt een dualisme van licht en donker als goed en slecht en dat dan weer gelijkgesteld aan respectievelijk man en vrouw natuurlijk wel op de loer. We vinden dit verschijnsel terug in bijna alle mannelijke en paternalistische culturen. In de twee-eenheid ligt de voorkeur duidelijk bij de goddelijke gedachte, de idee, het bewustzijnsfacet. Via dit bewustzijnsbeginsel wordt het facet van beweging en leven ( het derde) benaderd. Als we hierop het ‘zo boven zo beneden’ beginsel toepassen verbaast het niet om denken en wil als de belangrijkste gangmakers van onze huidige culturen aan het werk te zien.



Duisternis, moeder van licht.

We keren even terug naar de teksten uit de Verzen van Ch’an, of de Stanza’s (= verzen) van Dzyan*1), zoals Mevr. Blavatsky ze noemde. Enkele sloka’s (= strofe’s) uit het eerste vers herhaal ik hier, de eerste is: “De eeuwige moeder had, gehuld in haar immer onzichtbare gewaden, wederom zeven eeuwigheden gesluimerd”. Dit ‘eeuwige moeder’ is kennelijk een dichterlijke weergave van wat het eigenlijk zou moeten zijn. In een noot wordt namelijk aangegeven dat hier zou moeten staan; ‘eeuwige vadermoeder’ of ‘eeuwige ouder’. Er wordt uitgelegd dat van dualiteit en geslachtelijkheid geen sprake is. Ik herhaal ook de 5de strofe om de link van moeder met duisternis te laten zien;

“Duisternis alleen vulde het grenzeloos al, want vader, moeder en zoon waren wederom een en de zoon was nog niet ontwaakt voor het nieuwe wiel en zijn pelgrimstocht daarop”. Duisternis blijkt hier gelijk te staan aan ‘het ene dat niets is’. In het volgende vers, dat over de idee van differentiatie gaat wordt uitgelegd dat de oersubstantie oorspronkelijk in duisternis was. Of misschien zelf die duisternis was? In het derde vers echter (over het ontwaken van de kosmos) staat dit; ..........”Duisternis straalt licht uit en licht laat één eenzame straal vallen in de moeder diepte”.... Het is duidelijk, en dat is het onderwerp dat we hier onderzoeken, dat duisternis vooraf gaat aan licht. Zelfs dat licht uit duisternis voortkomt, of er misschien een variabele van genoemd kan worden.



Het vrouwelijke, het moederlijke.

Het duistere substantie facet van het goddelijke ene wordt vaak gezien als de grondsubstantie van alles wat bestaat. Het wordt als vrouwelijk benoemd; ....”Het heelal was nog verborgen in de goddelijke gedachte en de goddelijke schoot”. (Vers 2:6) Zij is basis en geborgenheid. Alles en iedereen rust in haar zijn – in haar schoot. Dat is dus een heel andere benoeming dan ‘in de hand van God’. We komen dit overigens ook gepersonifieerd tegen in de Chinese (Boeddhistische) cultuur als Kwan – Yin. Zij is de godin van mededogen. Ze is de erbarmster, de ontfermster. Ze verlost ons van lijden en onwetendheid. Ze is een verbeelding van de Amithaba Boeddha die de hemel (Nirwana) verzaakt om de mensen te helpen. Je herkent hier de offer- en verlossingsthematiek die we ook in het christendom tegenkomen maar nu in vrouwelijke termen beschreven.

In de meer mannelijke culturen wordt wijsheid, verlossing, oervertrouwen, vergeving, mededogen, liefde enz. steeds in verband gebracht met mannelijke goden of met één mannelijke god. Niettemin kennen we in onze westerse cultuur de idee van de zwarte madonna.

Het duistere en donkere nodigde het afgunstige “zwartmaken” vanuit de mannelijke cultuur natuurlijk sterk uit. Het vrouwelijke werd klein, ondergronds en onbewust gehouden als moeder aarde tegenover de hoge vader zon, het licht en de hemel.... de aarde is nou eenmaal onder onze voeten... dat helpt in eerste instantie natuurlijk niet veel bij de nodige hoogachting. En het zwarte gat is een grote angstbron natuurlijk.

De esoterische leer ziet er echter een volkomen gelijkwaardig facet van het ene in. Het duistere, donkere, het zwarte staat van oudsher in verband met het onkenbare en onbekende. Het donker brengt ons in contact met het zien van niets. Met het niet weten via onze bekende weet apparatuur. Dat donkere, duistere oervrouwelijke principe is door de Griekse en Joodse mannelijke culturen kennelijk niet geheel uit de West-Europese psyche verdreven. De Christelijke cultuur vond in moeder Maria een compromis met de heidenen die nog niet zo ver van de maternalistische kanten van hun cultuur verwijderd waren. Als we ons onthouden van gemakkelijke reactieve protesten tegen ‘de christelijke kerk’ kunnen we misschien eens op deze manier kijken naar eventuele betekenissen van moeder Maria. We hebben het dan niet over de historische mevrouw die in Bethlehem Jezus van Nazareth baarde, door wie of wat dan ook bezwangerd, wonderen zijn in deze van weinig belang. Het gaat ons om de plaats van een facet van het ene in onze cultuur, in onze geestelijke en persoonlijke cultuur en van daaruit naar onze manier van leven, waarden en normen. Het gaat over het substantie beginsel. Stof als een oneindig principe, als deel van de twee-eenheid. En niet als ‘lagere’ materie tegenover ‘hogere’ geest. Het gaat over het moeder facet, het stof of oersubstantie facet van het goddelijke.

Het maagdelijkheids dogma gaat er dan heel anders uitzien. Moeder is maagd, hoe kan dat? Het ene, als moeder maria (of als Kwan yin) is en blijft altijd maagdelijk, heel en heilig. Ook al schiet de lichtstraal constant en eeuwig in haar moeder diepte en baart zij constant de wereld, evenals de wereld constant in haar oplost en terugkeert. Dat opgeslokt worden in de moederdiepte is voor veel mannen in een mannelijke cultuur, (maar ook voor vrouwen) een groot schrikbeeld. Het ene is altijd maagd in de zin van heel en volledig, de eerdere teksten over de grondbeginselen helpen dit begrijpelijk te maken. Tegelijk is het ook waar dat zij niet gebaard werd en ook niet baart. We hebben hier eigenlijk een vrouwelijke tegenhanger in handen van Soera 112 in de Koran waar staat: “....Allah is zichzelf genoeg, eeuwig. Hij verwekte niet, noch werd hij verwekt en niet een is er aan Allah gelijkwaardig”. We kunnen ook zeggen: “Anna is zichzelf genoeg, eeuwig. Zij baarde niet, nog werd zij gebaard en niet een is er aan Anna gelijkwaardig”.  'Anna Akbar' zou een goed motto kunnen zijn voor feministische moslima's.

Waarom breng ik hier de naam Anna naar voren? Onze ouders baden (als ze katholiek waren) tot de maagd Maria, moeder van de eeuwig durende bijstand, niet tot Anna. Tegenwoordig wordt er nog maar weinig gebeden tot de moeder van eeuwigdurende bijstand, we eisen bijstand op in Den Haag. Maar dat wordt een te grote zijweg....



Anna en Maria.

Het is opmerkelijk dat de R.K. Kerk een nog niet zo oud dogma over dit onderwerp kent, namelijk dat van ‘Maria onbevlekte ontvangenis’. Dit heeft niet Maria’s maagdelijkheid i.v.m. de geboorte van Jezus tot onderwerp. Het gaat erover dat zij, Maria de moeder van Jezus van Nazareth (getransponeert naar moeder van God, van Jezus Christus), zelf maagdelijk uit haar moeder Anna geboren is. Dus Maria is maagdelijk uit Anna geboren. Misschien dat de dogmatici van de kerk op deze manier hun ‘zo boven zo beneden’ formule op orde wilden brengen? Of misschien was het gewoon de dwang van de logica? Zouden er nog genoeg maternalistische en vrouwelijke elementen in de westerse christelijke cultuur aanwezig zijn geweest die de paternalisten in Rome hiertoe bewogen hebben? Ik heb geen idee.

Maria komt natuurlijk voort uit moeder Anna maar Anna werd voorheen niet als onbevlekt (= zonder erfzonde) gezien. Desalniettemin heeft Maria volgens het dogma haar onbevlektheid niet aan moeder Anna te danken. Aan wie heeft Anna haar onbevlektheid en maagdelijkheid te danken? Misschien net als Maria aan God die kennelijk voor een speciale genadevolle tussenkomst zorgde bij Maria’s conceptie. Pech voor een eventuele volledig vrouwelijke theologie binnen de Rooms-Katholieke kerk. Al is het dan niet vleselijk het mannelijke principe blijft kennelijk ook op geestelijk niveau nodig. Maria heeft als nieuwe Eva (in de R.K.) dan wel een maagdelijke moeder maar dankt haar maagdelijke aard aan God's genadevolle tussenkomst. Een duistere donkere, zwarte moeder erkennen voor een zoon van licht zonder een ‘licht-vader’ lijkt een onoverkomelijke stap voor de theologen. Voor zover ik daar over kan oordelen lijken me deze theologen op dit punt toch dichter bij de esoterische wijsheid en leringen te staan dan de feministen. De esoterische filosofie leert een twee-eenheid over licht en materie, geest en stof. Ze zijn beiden nodig, anders is er geen derde, geen nieuw leven . De oude wijzen lijken niet zozeer in beslag genomen door een feministische of seksistische dan wel een masculinistische richtingen strijd.

Ik kan me voorstellen dat feministen zelfs naar een dochter van licht zouden verlangen in een nieuwe culturele omslag i.p.v. een zoon. Maar als Anna zwanger is, en dat is ze altijd/eeuwig, moeten we dan niet gewoon afwachten wat er geboren wordt en niet onze wil er opzetten dat het nu toch wel eens tijd wordt voor juist een dochter in plaats van een zoon? Is dat niet een reactie vanuit een culturele strijd, hoe begrijpelijk ook? Een ander godsbeeld kunnen we niet zomaar gaan ontwikkelen, ontwikkelen in de zin van opbouwen, we kunnen het alleen toelaten, zich laten ontvouwen. Het zou een enorme psychologische en culturele verschuiving en omschakeling betekenen, zowel voor vrouwen als voor mannen. Maar kunnen wij dat vanuit onze reactieve conditioneringen gaan regelen? Is dat regelen , dat oplossingsgerichte, dat maakbaarheidsgeloof niet een mannelijke benadering? Hoe gaan feministen dit niet oplossingsgericht oplossen?



Beelden en hun werking.

In onze gedachten en gevoelens over materie, vrouw, duister en donker worden we vaak nog gestuurd door massa beelden, culturele beelden. Dit zijn opvattingen, overtuigingen en (bewuste of onbewuste) voorstellingen die nog steeds het fundament en het geraamte zijn van het denken en voelen van grote massa’s mensen. Deze beelden zijn sterk, ze scheppen ons persoonlijke en maatschappelijke leven. Ze bepalen onze persoonlijke drijfveren, ons zelfgevoel, onze zelfdefinitie oftewel onze identiteit. Ze bepalen en dat moeten we vooral niet vergeten onze waarden en normen. Deze opvattingen, overtuigingen of beelden bestaan in intrinsieke eenheid met ons identiteitsgevoel. Hiermee creëren we, nogmaals grotendeels onbewust, ons persoonlijke en maatschappelijke leven. Ze zijn vaak al duizenden en duizenden jaren oud en worden geleefd en belevendigd door miljoenen zo niet miljarden mensen. Omgekeerd worden die massa’s er door geleefd en gevormd. We maken even een klein uitstapje om hier wat dieper op in te gaan.



Karma.

We creëren en hercreëren. We reageren reactief of we handelen authentiek maar altijd doen we mee aan het grote karmische werkende leven. Dit is wat het woord karma betekent; werking, doorwerking en terugwerking. Er zijn nog meer kanten aan dit begrip maar nu hier niet van belang. Ons zelfbeeld, ons beeld van leven en ons wereldbeeld werkt! We zeggen soms dat we gehecht zijn aan beelden of dingen buiten ons maar als we het preciezer bekijken ligt het anders. We zijn niet gehecht aan iets buiten ons, het is veel dichterbij, “wij zijn dat”. Er zijn geen drie losse gegevens van ik (1) ben gehecht aan (2) dat beeld of ding(3). Wij zijn gehechtheid, het is een manier van zijn, van zelf zijn. Het zijn drie facetten van een gegeven. Gehechtheid is bepaaldheid, bepaaldheid is “zo” zijn. Zoals we zijn zo is ons leven. We kunnen niet een ander leven hebben en tegelijk blijven zoals we zijn. Voor een ander leven, een ander lot, moeten we anders “zijn”. Hier ligt een andere belangrijke (massa) overtuiging; ‘Zo ben ik nou eenmaal, dit is mijn karakter, mijn identiteit, hier zit ik aan vast, dit ben ik’. Maar ook: ‘Ik ben de gevangene van mezelf’. Hoe veranderen we deze werkingen, hoe veranderen we onszelf, want ik kan geen ander of beter leven verlangen zonder mijn “zijn”, mijn identiteit te veranderen, zonder in mijn kern te veranderen. Dit is in essentie de vraag die we stellen als we ons karma, ons lot, het reilen en zeilen van de wereld willen veranderen. Het antwoord dat Patanjali (die het Raja Yoga systeem samenstelde) hierop gaf was: bak het zaad van karma in het vuur, zoals je bijv. plantenzaadjes in de pan roostert. Ze zullen niet meer leven of uitkomen. Het zaad is dan symbool voor de kernachtige sterke innerlijke overtuigingen en houdingen die ons gevoel van eigenheid bepalen. Het vuur is symbool voor ons bewustzijn, d.w.z. het inzien en doorleven van onze beelden en gehechtheden. De bakpan is het symbool voor de aandachts concentratie waarin we ons onderwerp kunnen bakken om ons van zijn uitwerking te bevrijden. Natuurlijk moet ieder zijn of haar eigen zaadjes bakken, oftewel je individuele beelden bewust worden en doorleven. Deze tekst wil er toe oproepen om in een groter verband, enkele cultuur-psychologische massa beelden los te woelen. Op deze manier hopen we bewustzijn te krijgen over onze individuele aansluitingen of tegenreacties daarop.



Vrouw, duister en schaduw.

Als we dus het facet van oersubstantie, het beginsel van stof, van materie (‘Materie is eeuwig’, zegt een van de spirituele grondbeginselen) nemen zoals het wordt opgevat en waargenomen vanuit de mens dan zien we dat dit als moederlijk en vrouwelijk gevoeld en benoemd wordt. Materie wordt vaak als minder en lager gezien of als een noodzakelijk kwaad. Materialisme en materialisten worden veroordeeld vaak ook door atheïsten. Het wordt zwart gemaakt! Geen sprake van gelijkwaardigheid, ook niet bij overtuigde holisten. Hoezo eenheid, heelheid, gelijkwaardigheid en holisme. Het vrouwelijke en het moederlijke zijn het zelfde lot beschoren als de materie en het duister en donker, hetgeen we hierna zullen zien. We doen dit als vanzelf, het komt uit onze wortels, uit ons zelfgevoel en identiteit voort. We doen dat naar onze aard als zonne- als bewustzijns en licht aanbidders. We houden naar onze natuur meer van licht dan van donker, meer van weten dan van niet weten, meer van doen dan van zijn. Dit geeft, behalve op de vrouw ook een vooringenomen kijk op het duister op schaduw en op zwart.

Wij hebben uit onze voorgaande beschouwingen echter kunnen concluderen dat we het oerbeginsel als duister benoemen en tegelijk als voorwaarde voor licht, en als voortbrengster van licht moeten zien. We kunnen daar dus eigenlijk weinig negatiefs in zien.

We moeten het waarschijnlijk aan onze cultuur en onze conditioneringen wijten dat we het oerbeginsel verwarren met het verschijnsel schaduw in de wereld van het bestaan. In deze wereld van de dingen, van het licht, van ons zonnestelsel kennen we schaduw als een natuurlijk verschijnsel. Als een berg, een boom of een huis het zonlicht verspert zien we schaduw. Schaduw heeft geen objectief bestaan van zichzelf, het is een afgeleide. Het bestaat pas als iets het zonlicht in de weg staat, het is een bij effect. Als de zon aan de andere kant van onze aardbol staat zien we aan deze kant niets. Dan is de schaduw naar onze concrete beleving zo sterk dat we het duister noemen. Maar het is en blijft een gevolg, een schaduw. Dit is niet datzelfde duister waar het licht, het bestaan en de schepping uit voortkomt. Dit duister is onafhankelijk. Het licht is een wonder, het komt voort uit het wonder van duister. De schepping, het bestaan is een wonder. Hoe eeuwig onze schepping (voor ons mensen) ook is, hij is kwetsbaar en vergankelijk en gaat ooit weer op in dat ene duistere, dat wij naar onze menselijke aard nou eenmaal moederlijk noemen.

We kennen ook het begrip schaduw in de zin van tegenstander, van verkeerd, van fout en zelfs als slecht. We zeggen dat als we ergens last van hebben, als iets of iemand ons in de weg zit. Soms hebben we de neiging om oorzaak en gevolg over een kam te scheren. De berg, de boom, de aarde of een persoon als oorzaak en de nacht, donkerte, schaduw en frustratie als gevolg, neigen we gemakkelijk samen te trekken tot één fout of slecht iets. Uit onwetendheid neigen we er zelfs toe om het een objectief zelfstandig bestaan toe te kennen en soms ook het te personifiëren, het iets mensachtigs of half menselijks toe te kennen. De tegenstander of in het kader van deze beschouwing, de tegenstandster is geboren. De schaduw van de nacht wordt hier verbonden met ongunstige en negatieve ervaringen in ons persoonlijke mensenleven. Een begrip van schaduw uit de natuur en een menselijk ervaringsbegrip van schaduw smelten dus samen. Het wordt van hieruit heel aannemelijk dat deze twee schaduwbegrippen niet alleen met elkaar worden verwart maar ook dat ze als een versmolten twee-eenheid gemakkelijk met dat duistere oerbeginsel worden vereenzelvigt, dat op zichzelf immers ook een groot mysterie is.

Dus: 'het ene duister' is niet het andere duister.



Adam en de heer, Eva en de slang.

We herbergen nog vaak veel resten van mythen, beelden, opvattingen en onbewuste overtuigingen in ons. In verhaalvorm komen we ze tegen in heilige boeken zoals over de oorlog in de hemel, de val van de engelen, de val van de mens, de schepping van de mens en van man en vrouw. We kunnen hier twee dingen doen. In onszelf speuren naar wat we aan beelden, geloof en opvattingen in ons meedragen en daarnaast die heilige boeken bestuderen en proberen te begrijpen wat er staat. Vaak echter zijn deze verhalen ook maar half doorgegeven, lijken delen ervan door elkaar te zijn gaan lopen of slechts echo’s van volledigere verhalen te zijn.

Wat betreft het duister, het donker, de materie en de vrouw hebben we hierboven aanzetten tot openlegging gegeven om in onszelf onderzoek te doen. Godsbeeld, mensbeeld, kernwaarden over goed en slecht, man-vrouw beelden zijn allemaal verbonden met onze ontstaans- en scheppingsmythen zoals het adam en eva verhaal. Het is intrinsiek verbonden met het god en duivel verhaal. Het zijn (onbewuste) referentiekaders geworden in ieders psyche. Dit geldt voor atheïst of gelovige gelijk. Heel belangrijk hier is de vorming van ons geweten. Het opgelegd geweten, het geïnternaliseerd geweten (super ego) willen we gaan onderscheiden van ons innerlijke vermogen tot weten, waarheid, werkelijkheid en wijsheid. Maar dit valt verder buiten het bestek van dit opstel.

De slang, de duivel en eva de vrouw zijn in ons beelden-bewustzijn op een lijn komen te staan tegenover adam, de man, de mens en god ‘de heer’.

Enkele jaren geleden verscheen het evangelie van Judas op de markt. De figuur van Judas lijkt geherwaardeerd te worden. Hetzelfde zou moeten gebeuren met de figuur van Eva. Er is zich een feministische theologie aan het ontwikkelen waar gepleit wordt voor een vrouwelijk godsbeeld. Is een rehabilitatie van Eva echter wel mogelijk zonder de slang ook in ogenschouw te nemen? Kan Eva wel gerehabiliteerd worden zonder ook de slang en het duister te rehabiliteren? Misschien was het wel wijs van Eva en een goed voorbeeld voor ons om naar de raad van de slang te luisteren, de vrucht van kennis te willen smaken en goed en kwaad te leren kennen. En wat voor een figuur is dat dan, die slang? We vinden het ene, het duistere, materie, Anna, Kwan Yin, Maria enz. in het verhaal van Adam en Eva terug in de vorm van de slang, als Lilith, als de duivel, als oorzaak van de zondeval met het aardse leven als straf. Althans in de christelijk versie, de koranversie van dit verhaal kent niet dat val- en straf element. In de esoterie wordt die christelijke erfzonde uitleg fel bestreden door H.P. Blavatsky in haar boek De Geheime Leer.



Voorbij eva:  de wijsheid van de slang.

In de esoterische filosofie kennen we de slangfiguur echter als een emanatie uit het oer ene. De slang als een vertegenwoordigster van een oerwijsheid van de eeuwige materie, een facet van het ene. Dit laatste betekent in feite voor die goddelijke stof een evenwaardigheid aan het licht. Een evenwaardigheid dus van de goddelijke stof en het goddelijke licht oftewel een evenwaardigheid van het mannelijke en het vrouwelijke. Voor een herwaardering van Eva als oervrouwelijke figuur doen we er goed aan ons Isis, Isthar maar vooral Lilith te gaan herinneren.

We kennen de slang ook als symbool voor verandering, voor hergeboorte, als seksueel symbool, erotisch of zinnelijk symbool, symbool voor wijsheid en als symbool voor heelheid en volledigheid.
In de esoterische filosofie is de slang met haar spiralerende bewegingen symbool voor een cyclus, een cyclische ontwikkelingsgang. Een slang die in zijn staart bijt staat voor een voleindigde cyclus. Met ‘de oude slang’ kan een vorige cyclus aangeduid zijn. Als die cyclus af is, is de cirkel rond. Een cirkel en een ring vallen ook binnen het betekenisveld van de slang. En met de ring zijn we weer terug bij de nul, en bij de laatste en diepste betekenis die de slang kan hebben, nl. die van het niets, het ene dat niets is en alles inhoudt.

Voor ons is het nu belangrijk om de slang en eva als een symbool te zien voor het opwekken van het denkvermogen, voor begeerte tot begrip, voor het kiezen voor een ontwikkeling van weten en wijsheid en van onderscheidingsvermogen. Oftewel, luisteren naar de slang, ons door haar laten (ver)leiden. Op weg naar het verkrijgen van kennis van goed en kwaad. En meer, nl. aan de goden gelijk worden. Precies datgene waar vele oude dogma’s en verinnerlijkte beelden ons voor waarschuwen als zouden we dan straf verdienen voor deze hovaardigheid.


Dit opstel geeft de lezer hopelijk genoeg materiaal om zijn of haar oerbeelden om te woelen.

Laten we oplettend zijn op wat zich ontvouwt wanneer we onze zelf onderzoeksoefeningen of meditaties doen of hierover onze gesprekken hebben met elkaar.

Ad Rek.

*1) Zie mijn opstel van 5 April j.l. :  http://eerstehemel.blogspot.nl/2013/04/de-stanzas-van-dzyan.html